Boze jonge dichter met humor en passie onthaald als een popidool

Over:..

Als meisjes in de Arabische wereld gillen en joelen voor een jonge dichter als ware hij een popster, dan is er iets bijzonders aan de hand. Dat is te zien op een heel populair filmpje op YouTube. De dichter Tamim al-Barghouti – lange lokken, kek brilletje – draagt meeslepend zijn gedicht In al-Quds (In Jeruzalem) voor tijdens een soort Idols voor dichters van een tv-zender in Abu Dhabi, een half jaar geleden.

Zijn stem klinkt prachtig, ook voor wie niets begrijpt van de Arabische klanken, hij laat pauzes vallen, bespeelt de zaal met armgebaren en doordringende blikken. De vier heren van de jury, twee in Saoedische jurken, twee in pak, luisteren eerst nog stijfjes, vergeleken bij de klappende meisjes ( sommige met hoofddoeken, andere met los haar), maar ook zij kunnen aan het slot hun glimlach niet houden. Al-Barghouti werd vijfde van de vijfduizend deelnemers, maar door het filmpje op YouTube is hij een jeugdidool in de Arabische wereld geworden.

Hij was afgelopen weekend op Winternachten, het internationale literatuurfestival in Den Haag. Met zeven andere Arabisch-talige auteurs trad hij op onder het motto How to bluff your way into Arabic literature? Al was het publiek minder uitzinnig dan in Abu Dhabi, de vonk van Al-Barghouti sloeg ook in Den Haag over.

De dichter met een Palestijnse vader en Egyptische moeder (beiden eveneens literatoren) vertelde hoe verbaasd hij was over het ongekende enthousiasme waarmee hij in de Palestijnse gebieden werd onthaald, op toernee na de dichterswedstrijd en het YouTube filmpje. Opeens had hij een piepjong publiek, ‘17-, 18 jarigen’ die in extase raakten van zijn gedicht volgens een klassiek stramien in de Arabische letterkunde. ‘Ik gebruik toch veel Arabisch uit de tijd van de Koran en er komt een popmuziekpubliek. Ik wil niet graag populistisch worden, maar het is een historisch moment.’

Duizenden kwamen naar stadions om hem te zien en te bejubelen in Nablus, Jericho en Ramallah. De tv-zenders van zowel Hamas als de Al-Fatah besteedden er aandacht aan.

In Jeruzalem is een boos gedicht: een Arabier mag zijn eigen stad niet in, en hij verlangt daar zo verschrikkelijk naar. Maar er is niets zieligs aan de jammerklacht. Het barst van de recalcitrante humor, Al-Barghouti beschimpt de stomme toeristen die er wel in mogen. De tekst ademt verontwaardiging én de houding van de opgestoken middelvinger. Het is niet moeilijk voor te stellen waarom juist een nieuwe generatie - die de oude leiders een beetje zat is - dol is op het gedicht.

Met Barghouti ben je dus al een heel eind met het bluffen in de Arabische literatuur. Maar de middag bood nog veel meer, een staalkaart van belangrijke stemmen in het Arabisch. Ieder gaf een proeve van eigen werk en een favoriete tekst van een andere schrijver. De vertalingen werden op schermen geprojecteerd. Barghouti las ook een gedicht van zijn vader, over de verwoesting van een huis in Palestijns gebied. De melancholie van de vader tegenover de militante pit van de zoon, is dat in het klein de verandering van generatie onder Palestijnen?

Het debat in de Arabische literatuur moet wel gaan over de rol van de literator in deze zeer gespannen tijd waar modernisering en verwestersing botsen met conservatisme en het neofundamentalisme van de politieke islam. De verwarring over de Irak-oorlog, de polarisatie in Libanon, de verontwaardiging over Deense cartoons als vernedering van de moslims, materiaal te over voor dichters. Tussen hun voorlezingen door zeiden de auteurs er een paar woorden over.

De wat ouderen tarten als vanouds de gevestigde orde. Ze tonen wat er mis is. Khaled Khalifa (1966), de Syrische schrijver en scenarist van een heel populaire soapserie, zag zijn laatste boek stranden bij de censor, zodat zijn vrienden een exemplaar in buurland Libanon moeten gaan kopen. Hij blijft laconiek: ‘Ach, we zijn dat gewend.’

Hij las over een 60-jarige blinde die verbitterd terugdacht aan zijn jeugd als verschoppeling.

Habib Selmi (1951) uit Tunesië hekelt de angst waarin burgers tegenwoordig leven. Zijn hoofdpersoon wordt wakker door geluid op straat: dat moeten wel terroristen van de Bende van Vreemdelingen zijn, siddert hij. Van alles spookt er door zijn hoofd – Selmi las het voor met milde spot.

Ashur Etwebi (1952) is volgens presentator Abdelkader Benali de ‘Libische Paul van Ostaijen’. Losse beelden (woestijn, een spin) en spel met klanken doen inderdaad denken aan diens zuivere lyriek. De mysterieuze lading van een zin als: ‘Alles valt uit elkaar behalve dit vervloekte zand.’

Hassan Daoud (1950) uit Libanon las een stuk over een spandoek dat op een ochtend plots in de straat hing, met een dichtregel van Lorca. Daoud kende de Spaanse dichter en toneelschrijver uit zijn jeugd, maar bijna was hij hem vergeten. Hij vertelde hoe goed hem dat had gedaan, poëzie in een stad vol politieke leuzen. Zou er een nieuwe generatie poëtische jongeren zijn opgestaan, die in lantaarnpalen willen klimmen voor mooie teksten die aan het denken zetten, vroeg hij zich hoopvol af.

Laila Aboezaid (1950) uit Marokko laat de stem van vrouwen horen in haar werk – dat is nog niet gewoon in Noord-Afrika waar mannelijke schrijvers de toon aangeven, zei ze en wierp een blik op de heren op het podium. Ze las over een vrouw die aan de dokter vertelt dat ze somber is door het lot van de Palestijnse kinderen – met een snik in haar stem.

Zouden jongere auteurs een andere toon aanslaan? De Algerijnse Lamis Saidi (1981), met een hippe hoofddoek, las een ironische tekst over het moderne bestaan: ‘Ik heb zoals altijd mijn tas vergeten.’

De Egyptische schrijver Ahmad al-Aïdi (1974) breekt het radicaalst met zijn voorgangers: de taal van het internet, sms, het bargoens van de gemondialiseerde jongeren. Hij las een hilarisch fragment uit zijn net vertaalde boek Ik ben Abaas el Abd waarin een medewerker van een videoshop verlekkerd kijkt naar een klant, studente aan de Amerikaanse universiteit van Caïro, en worstelt met zijn ‘angst om vrijgezel te blijven’.

Winternachten bood zo een crash course Arabische letteren. Maar met wie te beginnen? Even vragen aan de Soedanese schrijver Raoef Moessa Basta (1937), die in de pauze adviezen verstrekte aan beginnende lezers van Arabische literatuur. Zijn tip vooraf was: wie van Reve houdt, moet ook Sunallah Ibrahim lezen. Een lezeres die gek is op Hemingway gaf hij aan een tafeltje namen van verwante auteurs in het Arabisch. Maar wie van de acht aanwézige scrhijvers en dichters zou hij de beginner nou het eerst aanraden?

Basta dacht even na, moeilijke keuze met al die belangwekkende auteurs. Toen hakte hij de knoop door: ‘Ja, toch Ahmad al-Aïdi zou ik aanraden. Een leuke jonge schrijver, helemaal van nu. Begin met zijn boek.’

Wim Bossema

Meer over