Bouwstenen van onze identiteit

Conformeren of je onderscheiden, waar wordt de mens toe uitgedaagd? Het Nederlands Foto Instituut verleende drie opdrachten om die vraag te onderzoeken....

ZE STAAN tegenover elkaar. Rechts het reusachtige varken, links de zwarte hond Pablo. Nieuwsgierig, misschien ook dreigend, steekt het varken zijn snuit vooruit. De hond heeft een oog dichtgeknepen en kijkt met het ander naar de varkenssnuit. Waarschijnlijk is Pablo blaffend komen aanrennen. Maar hoe dichter hij bij het varken kwam, hoe meer hij zich de kolossale omvang van zijn opponent realiseerde, en hoe indringender hem de merkwaardige geur gewerd die varkens van nature afscheiden. Van Pablo's hondse branie is nu niets meer over. Nog even, en hij kiest het hazenpad.

De foto Pablo and Pig, Biddinghuizen van Wout Berger (1951) en Noor Damen (1949) is een van de uitgesproken vrolijke beelden op de expositie Constructing Identity in het Nederlands Foto Instituut in Rotterdam. De tentoonstelling is het resultaat van de zoektocht die het duo Berger/Damen, Korrie Besems (1961) en de Duitser Joachim Schmid (1955) maakten naar het begrip identiteit. Op de expositie gaan het varken en de hond, mensen en hun omgeving een tijdelijk verbond aan. Niet omdat ze altijd in harmonie met elkaar verkeren, maar omdat ze passen in de kanttekeningen die de fotografen bij de moderne samenleving plaatsen.

De drie Nederlandse kunstenaars en hun Duitse collega zijn door het NFI uitverkoren om vorm te geven aan deel twee van het ambitieuze project Photowork(s) in Progress, dat het NFI in 1995 begon om de kwakkelende documentaire fotografie in Nederland nieuw leven in te blazen. In deel 1, eveneens Constructing Identity genoemd, was Rineke Dijkstra een van de deelnemers. Zij onderzocht de gabbercultuur, wat resulteerde in ontwapenende video-opnamen van jonge, vaak onzekere discogangers, die zich voor Dijkstra's camera een houding trachtten te geven.

Net als in deel 1 hebben ook nu de kunstenaars van het NFI alle ruimte en twee jaar de tijd gekregen om het even weidse als interessante, even tijdloze als actuele vraagstuk te onderzoeken hoe de hedendaagse mens zijn positie in de samenleving bepaalt. Hoe het individu worstelt om zich te onderscheiden of juist te conformeren. Hoe de snel veranderende samenleving haar karakter tracht te behouden of te vernieuwen. En ook: hoe de fotograaf dit gezwoeg interpreteert en in beelden vangt.

Maar wat hebben Pablo en het varken daarmee te maken?

Staan ze symbool voor een botsing van twee elkaar onbekende werelden? Voor de angst die een onverwachte confrontatie kan genereren? Moeten we ons vereenzelvigen met het varken, of met Pablo? Of met geen van beide?

Groot is de neiging om er op een tentoonstelling die Constructing Identity heet, op los te filosoferen. Om meer te willen zien dan wat de fotografen tonen. Maar lees de eerste zin van het essay dat de Engelse filosoof Paul Gilroy schreef op uitnodiging van het NFI: 'Er wordt tegenwoordig te veel in het wilde weg gepraat over identiteit.' Dat is geen statement, dat is een afstraffing bij voorbaat.

Pablo is de hond van Noor Damen en Wout Berger. Hij hoort bij hun leven zoals hun vrienden en familieleden, hun schaatstochten in de winter en hun zomerse uitstapjes. De twee gaven het abstracte begrip identiteit kleur en karakter door een persoonlijk, intiem familie-album samen te stellen. Het blijkt een opgewekte en doeltreffende manier om iedereen de weg te wijzen die verdwaald is in cyberspace, zich verloren waant in een gefragmenteerde samenleving of zich opgejaagd voelt door de 24-uurs-economie.

Met hun snapshots van het alledaagse leven laten Berger en Damen zien dat dat leven zo alledaags niet is. Ze fotografeerden Floris, plastisch chirurg, die de pols van een patiënt opereert. Ze waren bij Bergers dochter Sanne, terwijl ze in haar vreugdevolle hoedanigheid van vroedvrouw helpt bij een bevalling. Als er wordt gewerkt op de foto's van Berger en Damen, is het zinvol - alsof ze de wereld eraan willen herinneren: er is meer dan jakkeren voor de baas en geld verdienen.

Maar op het merendeel van de beelden uit huiselijke kring die Berger en Damen laten zien, wordt helemaal niet gewerkt. Er wordt onbekommerd geluierd, of ontspannen bewogen. Een man waadt door een meer. Een ander speelt in de woonkamer met zijn kat. Een vriendin vrolijkt zichzelf op door haar lippen rood te stiften. Noor Damen doet met hond Pablo een middagdutje op een akker in Frankrijk.

Slechts een enkele keer wordt de serene toestand waarin Damen en Berger, hun vrienden, familieleden en huisdieren verkeren even verstoord. We zien een bevriende kunstenaar die met schijnbaar grote snelheid een heuvel beklimt. Het struikgewas rondom hem is onscherp, wat de suggestie van opgejaagdheid, van vluchten versterkt. Maar wie beter kijkt, ziet dat de man niet is vereeuwigd in een superatletische pose.

Het been dat onzichtbaar achter zijn romp lijkt schuil te gaan - die man rent voor zijn leven, denk je - blijkt domweg aan zijn lichaam te ontbreken. En zo verandert het beeld van een opgejaagde man in dat van iemand die, hoewel maar uitgerust met één been, in het woeste struikgewas best zijn weg weet te vinden. Het gedroomde verhaaltje loopt met een sisser af, net als de confrontatie tussen Pablo en het varken.

Het zijn geruststellende foto's, zonder nadrukkelijke boodschap, zonder dramatiek. Tegelijk zijn ze het tegendeel van nietszeggend. Damen en Berger tonen een beeld van de werkelijkheid dat - zoals de schrijver en ex-fotograaf Hans Aarsman bij hun werk opmerkt - door de media nauwelijks nog wordt geregistreerd. Waar wordt het vrijelijk luieren nog getoond, behalve in een reclame voor een lang weekend Center Parcs?

Damen en Berger pareren Aarsmans retorische vraag 'Kan het echt niet zonder drama?' door mensen te laten zien die moedige pogingen ondernemen om levensgenieter te zijn. Een gedichtje van hun vriend Theo Combee, floormanager bij een supermarkt, artiest en dichter, heeft hen tot motto gestrekt: Alles moet anders/ niet vandaag/ vandaag /sta ik stil/ en denk/ aan wat mij dierbaar is.

MAAR DE BEZOEKER van de expositie wil verder. In een langwerpige ruimte van het NFI hangt een tiental grote, dunne doeken waarop Korrie Besems haar architectuurfoto's heeft afgedrukt. Door het formaat en doordat de doeken enigszins doorzichtig zijn, lijkt de toeschouwer zo de nieuwbouwwijken in te kunnen stappen - het geluk van de Vinex-locaties ligt voor het grijpen.

Brede lanen met villa's, speelse architectuur, ruime tuinen, gezegend het volk dat zich een dergelijke weelde kan veroorloven. Maar al na het bekijken van enkele van Besems boodschappen uit de nieuwe wereld blijken we de fotodoeken niet te kunnen beschouwen als een vlagvertoon ter ere van de postmoderne architectuur. Met haar schijnbaar neutrale beelden onthult Besems de onvoorstelbare nep en de edelkitsch die in de nieuwe woonwijken worden samengebracht.

Eén wijk is een exacte kopie van de tuinwijken voor de hogere middenklasse die in de jaren twintig en dertig werden gebouwd. Een andere wijk is geïnspireerd op een Indiaas fort, enkel en alleen om de bewoners de illusie te geven dat hun woonomgeving in verbinding staat met de geschiedenis - de ontwerper meent dat 'steden zonder herinnering geen toekomst hebben'. Architecten imiteren middeleeuwse kastelen, landschapsinrichters leggen kronkelende beekjes aan in nu nog kale zandvlaktes, of werpen een metershoog kunstduin op als afscheiding tussen de kleine tuinen.

Zo toont Besems hoe Nederland wordt volgebouwd met wijken die de schijn van een eigen karakter hebben en de pretentie van eigenzinnigheid. Op haar foto's straalt de zon aan een blauwe hemel, dobberen zwanen met kuikens in een watertje en verraadt het jonge groen dat het lente is. De natuur doet z'n best, het is alleen de mens die het hier laat afweten.

ZOALS DAMEN en Berger ons het plezier in het leven niet opdringen, zo terughoudend heeft Besems haar commentaar op de schijn-identiteit van de Vinexwijken geformuleerd. En ook Joachim Schmid voelde zich niet geroepen zijn visie op het moderne leven van de daken te schreeuwen.

Schmid, door het NFI geïntroduceerd als 'de fotograaf die niet fotografeert', verzamelde de afgelopen jaren plaatjes die hij tegenkwam op Internet, in kranten en tijdschriften. Hij raapte vodjes op van straat, en noteerde gesprekken die hem toevallig ter ore kwamen. Die stroom aan informatie bracht hij samen op 180 ansichtkaarten - een selectie op grond van zijn persoonlijke voorliefdes, niet op grond van een systeem, onder de wat lullige titel: Sinterklaas ziet alles.

De kaarten met afbeeldingen en teksten zijn uitgestald op een rek aan de wand, als de ansichtkaarten in de winkel. Er ontstaat zo een kaleidoscopische terugblik op nieuws en geen-nieuws uit de afgelopen jaren. Beelden van prinses Diana, KLM-Boeings in de wolken, een ongelukkig geland Transavia-toestel met zijn neus in de modder, pornoplaatjes, depressies boven Europa vanuit de ruimte gezien, bekende Nederlanders, tropische stranden uit reisbrochures, advertenties voor Zweedse klompen en protesten tegen het mestbeleid.

Al die beelden en de gebeurtenissen erachter vormen bouwstenen van onze identiteit, en het is aan ieder individu om zelf een keuze uit de plaatjes te maken, lijkt Schmid te zeggen. Ook letterlijk laat hij de NFI-bezoeker de vrijheid. Die kan uit de 180 kaarten zelf een selectie maken, en ze voor 50 cent per stuk mee naar huis nemen. Niet alleen Schmid, alle vier hebben een mooie, bescheiden manier gevonden om hun zoektocht naar het karakter van de westerse maatschappij tot de onze te maken. Opgewekt maar niet zonder zorgen speuren we met hen mee.

Photowork(s) in Progress II, Constructing Identity, t/m 24 april in het Nederlands Foto Instituut Rotterdam. Catalogus F 49,50.

Meer over