Bond blijft Bond

Een oude, vermoeide James Bond die de drank schuwt – zo begint het nieuwe avontuur van agent 007, verschenen op de 100ste geboortedag van zijn schepper....

In de zomer van 1955 begint Ian Flemings geloof in James Bond te tanen. Drie jaar geleden heeft agent 007 van de Secret Intelligent Service zijn entree gemaakt in Flemings eerste thriller, Casino Royale. Daarna zijn nog twee Bond-avonturen gevolgd, maar nu het manuscript af is van nummer vier, Diamonds Are Forever, verliest de schrijver het vertrouwen in zijn schepping. Niet alleen omdat de verkoopcijfers tegenvallen: erger is het knagende gevoel dat Fleming zijn literaire vermogens heeft uitgeput. Nóg meer variaties op ‘ontsnappingsmethodes en spannende acties’ kan hij niet verzinnen, bekent hij tegen zijn jeugdvriend Hilary Bray.

Had hij het bij die verzuchting gehouden, dan was Ian Fleming (1908-1964) misschien een geheimtip onder verzamelaars gebleven: een voormalige aandelenhandelaar en journalist die in de Tweede Wereldoorlog verdienstelijk bureauwerk leverde voor de Britse spionagedienst, geen opzichtige literaire ambities koesterde, maar toch vier aardige thrillers over een mannetjesputter met ‘license to kill’ produceerde.

Het loopt anders. Fleming heeft pas op z’n 45ste zijn eerste boek gepubliceerd, maar een buitenstaander in literaire wereld is hij niet. Zijn oudere broer Peter is een bekende reisschrijver, hij leest Thomas Mann en T. S. Eliot, en bouwt een bibliofiele collectie op, waarvan een deel in het British Museum wordt geëxposeerd. Dankzij de familiebanden (grootvader Fleming was een vooraanstaand Victoriaans bankier) beschikt Ian over connecties in kringen die er toe doen. Dat hij tevens de fijne kneepjes van het gastheerschap kent, is voor een gewezen pupil van de eliteschool Eton vanzelfsprekend.

Zo kan het gebeuren dat Fleming in juni 1955 in zijn Londense woning een ‘eenvoudige lunch’ aanricht voor de dichter Stephen Spender en diens vrouw, en een kennis van Spender: de Amerikaanse thrillerschrijver Raymond Chandler. De 66-jarige schepper van private eye Philip Marlowe is dan een internationale beroemdheid (mede dankzij Humphrey Bogart, die van Marlowe een filmheld maakte), maar blijkt privé een alcoholische somberman met nul talent voor smalltalk.

Praten over zijn werk wil hij niet, maar hij reageert welwillend als Fleming hem na de lunch een exemplaar bezorgt van zijn Bond-verhaal Live And Let Die. Chandler is zowaar onder de indruk en helpt zijn jongere collega aan een aanbeveling, die hij af mag afdrukken: ‘Ian Fleming is probably the most forceful and driving writer of [...] thrillers in Engeland.’

De lof van een beroemde collega die meent dat Bond nog lang niet is uitgeput, blijkt precies wat de twijfelende auteur nodig heeft. Anders dan hij zich had voorgenomen – de cardboard booby (‘bordkartonnen lummel’) zo snel mogelijk om zeep helpen – ziet Fleming weer kansen voor zijn held. Een jaar later verschijnt From Russia With Love, waarin Bond op de laatste pagina weliswaar een doodschop krijgt van de vileine Rosa Klebb, maar de mogelijkheid van een wederopstanding wordt opengehouden.

Niet onverstandig, want met zijn complexe intrige en verrassende opbouw (Bond komt pas laat ten tonele – maar dan ook goed) levert From Russia With Love de auteur de zo lang begeerde bevestiging van zijn schrijverschap op. Alleen in de Verenigde Staten laat de erkenning nog op zich wachten – tot Flemings ergernis vooral ook in financiële zin. De grote uitgeverijen Norton, Doubleday en Knopf hebben Casino Royale hooghartig afgewezen, en als de verkoop van Live And Let Die op een schamele vijfduizend stuks blijft steken, laat de Amerikaanse vertegenwoordiger in een vernederend briefje weten dat ‘James Bond beter zijn best moet doen’.

De vooruitzichten keren onverwacht ten goede als Life Magazine in maart 1961 over de leesgewoonten van John F. Kennedy schrijft. Op de persoonlijke top tien van de jonge president staan niet alleen Winston Churchill, Stendhal en een Byron-biografie, maar zowaar ook From Russia With Love. Een betere advertentie had Fleming niet kunnen wensen: ‘Vanaf dat moment’, schrijft hij later, ‘begon de boom in Amerika’.

James Bond bestaat op dat moment alleen in drukinkt. De film-Bond die een jaar later zijn intrede doet met Doctor No wijkt af van het karakter dat Fleming in zijn verhalen schiep. De papieren Bond is weliswaar net zo’n rokkenjagende waaghals als in de bioscoop, maar hij oogt harder en grimmiger, zonder de knipogende ironie van Sean Connery, Roger Moore en opvolgers.

Hoewel Fleming snel en gemakkelijk schrijft – standaard 2000 woorden per dag – worstelt hij met Bonds karakter. Hij wil wat Raymond Chandler eerder is gelukt: pulp transformeren tot respectabele literatuur, en daarom probeert hij zijn eendimensionale held psychologisch geloofwaardiger te maken. IJzig kalm de spanning opschroeven kost Fleming geen moeite – de lange kaartscène in Casino Royale is zijn eerste tour de force – maar Bond zelf krijgt hij pas geleidelijk in zijn vingers.

In For Your Eyes Only, een verhalenbundel uit 1960, heeft hij het voor elkaar. Fleming plaatst 007 in situaties waarin de genadeloze killer ook andere kanten van zichzelf laat zien. In ‘Quantum of Solace’ is Bond te gast op een stijve soiree, waar de conversatie niet erg wil vlotten. Bij de cognac begint de gastheer aan een lange monoloog, die even weinig opwindend belooft te worden, maar dan een onvoorziene wending neemt. Bonds openlijke verveling verandert langzaam in betrokkenheid en tot slot moet hij beschaamd erkennen dat in een leven waarin geen druppel bloed vloeit evenveel drama kan huizen als in dat van een professionele spion.

De gereserveerde, Somerset Maugham-achtige bitterheid die Fleming hier demonstreert, staat ver van de bommen en granaten waarmee 007 doorgaans wordt geassocieerd. Misschien ziet Fleming het vergeefse van deze stilistische verfijning in, want in latere Bond-boeken houdt hij het relatief simpel. De verkoopcijfers geven hem geen ongelijk: tussen 1960 en 1964, het jaar van zijn dood, ziet Fleming zijn inkomsten vertienvoudigen.

Of Nederlandse lezer iets van Flemings literaire worstelingen meekrijgt is de vraag, gezien de soms erbarmelijke vertalingen die uitgeverij Bruna aanvankelijk op de markt brengt. Een dieptepunt is uitgerekend For Your Eyes Only, dat in 1963 onder de titel Van een blik tot een moord als Zwart Beertje verschijnt. De vertaling van ­– what’s in a name – J.W. de Bondt verandert ‘gun’ consequent in ‘geweer’, zit vol oudbakken boekentaal (‘loop voor mijn part naar de duivel’), en presenteert ‘noten van de olifantsluisboom’ waar gewoon cashews bedoeld zijn.

Fleming is een nog weinig betekende naam als uitgeverij Bruna de rechten op de Bond-boeken koopt. De eerste Bond-vertalingen verkopen tegen de twaalfduizend stuks per titel, een fractie van de oplagen die Simenon en Havank in dezelfde serie halen. De filmpremière van Doctor No in 1962 brengt ook in Nederland de langverwachte doorbraak: Bruna kan binnen veertien dagen een miljoen exemplaren (verdeeld over dertien titels) bijdrukken. De Bond-industrie is begonnen, en zal niet meer tot bedaren komen.

Enter Sebastian Faulks. Ter ere van Ian Flemings honderdste geboortedag (28 mei) kreeg de gerespecteerde Britse romancier de opdracht een nieuw James Bond-verhaal in Flemings geest te schrijven. De liefhebbers kunnen gerust zijn: 007 is 007 gebleven. In Devil May Care slaat Faulks een stijlvolle brug tussen de actieheld van de films en de meer bespiegelende figuur uit de romans.

Het verhaal speelt in een tijdvak dat Fleming zelf niet meer meemaakte: de Summer of Love van 1967, met alle parafernalia van dien. De gietijzeren plot is echter als vanouds. Een booswicht met tentakels tot in Perzië dreigt een mondiale catastrofe te veroorzaken, en terwijl Bond de ramp met kunst- en vliegwerk probeert te voorkomen, trekt een stoet bekenden langs: niet alleen M en Miss Moneypenny van de Secret Service, maar ook secondanten als CIA-man Felix Leiter en René Mathis ‘van het Deuxième Bureau’.

Er is een archetypische, fysiek en moreel afstotende tegenspeler (dr. Julius Gorner, een sadist van de Blofeld-klasse), ravissante verleidsters laten Bonds hormonen razen, en luxe merknamen als Morland, Ronson en Dom Pérignon leveren de klassieke finishing touch.

Nieuws is er ook: Bond laat de drank staan, negeert een femme fatale, en voelt zich oud en afgemat – kwalen waarvan hij in de verdere verwikkelingen verbazend snel herstelt.

In politieke zin slaat Faulks eigentijds gemengde tonen aan. Naast voorzichtige scepsis over westers imperialisme en de wansmaak van de nouveaux riches, schampert Bond over de ‘slappe, vochtige handjes’ in het Midden-Oosten (‘het dievenhol van de wereld’) en noemt hij vrouwen in chador ‘nonnetjes in de rouw’.

Het belangrijkste: tussen alle wisecracks, bedscènes en periculeuze wendingen houdt Faulks vakbekwaam de spanning vast. Voor Raymond Chandler had er allicht meer in gezeten, maar met déze Bond had Fleming kunnen leven.

Meer over