Boe, ellendeling, boe

Toen de Scala in 1889 een feestje wilde vieren omdat vijftig jaar eerder Verdi's eerste opera daar in première ging, vroeg de gelauwerde operacomponist of ze niets beters te doen hadden....

door Roland de Beer

NADAT het eerst al een zenuwenboel was in de hogere mondanitá van Milaan over wie er wel en wie er niet was uitgenodigd voor de opening van het Verdi-jaar, veranderde de Scala begin december in een pandemonium, toen de tenor Salvatore Licitra in de zesde scène van Il trovatore van zijn hoge C een lage C maakte. Het was, nota bene, het moment waarop de troubadour Manrico van het trouwaltaar wegrent, en in de aria 'Di quella pira' zijn manschappen te wapen roept.

Zijn All' armi, all' armi kreeg op slag letterlijke betekenis, toen doorgewinterde Verdideskundigen op de hoogste gaanderij tegenalarm sloegen, een spreekkoor aanhieven van de strekking 'boe, ellendeling, boe', en in één moeite door 'la direzione' op de korrel begonnen te nemen. Chefdirigent Riccardo Muti liet zich niet onbetuigd, en riep terug naar de loggionisti op het schellinkje: 'Doe mij een plezier en maak van het Verdi-jaar geen circus.'

'Laat zo'n sukkel dan ook thuis', was de riposte vanuit het donker. Waarna de kenners van de weeromstuit met elkaar in debat gingen, over het recht op vrije meningsuiting voor 'mensen die tenminste zelf een kaartje hebben gekocht'. De rust herstelde zich in zoverre, dat Manrico's manschappen in de slotakte ongehinderd over de kling konden worden gejaagd, Leonore de gifdood stierf, en de troubadour zonder verdere interrupties kon worden geëxecuteerd.

Muti was de chef die, pas nog, een dreigende sluiting van de tweehonderd staanplaatsen tellende loggione door de brandweer hielp voorkomen met de woorden: 'Als dit uiterst deskundige publiek voortaan moet wegblijven, gaat een grote traditie verloren.'

Minister Melandri van Cultuur sprak na afloop van 'ultieme brutaliteiten', maar minister Veronesi van Volksgezondheid zag 'de terugkeer van een originele Verdi vol leven en passie'. Wat in al het openingsrumoer over het hoofd werd gezien, was de historische symboliek van uitgerekend de brandstapelscène uit Giuseppe Verdi's Trovatore. Het All' armi van Manrico is de conclusie van een aria die begint met de regel: 'Het vrees'lijk vuur van deze stapel brandt ook mij tot in de vezels.'

Dát, zo wil de geschiedenis, waren de woorden die in april 1859 weerklonken, toen graaf Camillo di Cavour, leider van de Italiaanse wederopstandingsbeweging en minister in een wankelend kabinet, het raam van zijn ministerie opengooide en met ongeschoolde stem 'Het vrees'lijk vuur'/Di quella pira van zich af zong. Oostenrijkse troepen waren die ochtend het noorden van Italië binnengemarcheerd, het wachten was op hulp van Napoleon III, en de stichter van het nieuwe Italië restte in het uur van de crisis niets anders dan Verdi te zingen uit een open raam. Volgens Verdi kon Cavour, 'de Prometheus van onze natie', overigens 'geen trompet van een trommel onderscheiden'.

Andersom kostte het de staatsman moeite, toen het met Italië in orde begon te komen, de tegenstribbelende Verdi over te halen om zitting te nemen in het eerste parlement, en zo het 'wonder van het Risorgimento te helpen voltooien'. De componist vond het al meer dan welletjes dat bruggen en blinde muren in Italië waren volgekalkt met Viva Verdi. Toen het erop aankwam, had de componist-volksvertegenwoordiger ook bezwaren tegen de uitroeping van Victor Emanuel tot koning van de onafhankelijke natie - waar men de naam Verdi nota bene had leren prevelen als afkorting van de leuze 'Vittorio Emanuele, Re d'Italia'.

Maar in Italië gebeurt sowieso weinig of er lijkt sprake van een speling van het lot. Het zal dan ook niemand verbazen dat de 'macht van het toeval' of La forza del destino, een opera die met zijn verdwaalde kogels, met zijn markiezin die onder de monniken leeft zonder als juffrouw herkend te worden, met zijn boezemvrienden die elkaars aartsvijanden blijken, met zijn redeloze oorlogsverplaatsingen en uit de hand lopende body count, een opera kortom die in de rest van de wereld beschouwd wordt als een fraaie maar onmogelijke draak, in Italië ruim een eeuw in de top-drie heeft gestaan van meestgespeelde Verdi-opera's. Na La traviata en Rigoletto.

Oude, handbeschreven archiefkaarten uit de administratie van Verdi's uitgeverij Ricordi laten spectaculaire cijfers zien die betrekking hebben op de oplagen en verhuringen van Verdi-opera's. Don Carlos: honderden producties. Aida: duizenden. Nu ja, Un giorno di regno: tientallen. Maar vooruit, dat was ook volgens Verdi een 'doorslaand fiasco'.

De archiefkaarten zijn te zien in een Ricordi-opstelling die met groot vertoon van manuscripten, eerste drukken en impressies van de oude bedrijfszalen een beeld geeft van de intimiderende omvang van deze Milanese uitgeverij. De firma verkeert sinds meer dan anderhalve eeuw in symbiose met het Italiaanse operawezen, heeft in Verdi haar super-melkkoe, en is anno 2001 dan ook medefinancier van een supertentoonstelling, getiteld Giuseppe Verdi, de mens, het werk, de mythe.

Die tentoonstelling is te zien in het Palazzo Reale, en mag door geen Milaanganger worden gemist. Al valt het met de presentatie van Verdi-de mens nogal mee - en blijft Verdi-de mythe als gevolg daarvan meer een ongecorrigeerd bijproduct, dan een uitgestald of toegelicht object.

Un simbolo d'Italia nel mondo was Verdi nog allesbehalve, toen de 19-jarige dorpsorganist uit Busseto, 'uw allernederigste dienaar', de hanepoten ondertekende waarmee hij zich aanmeldde bij het conservatorium van Milaan. Die brief ligt er, in het Palazzo Reale. Wat er niet bij ligt, is de brief aan Ricordi waarin Verdi 67 jaar later nog van zijn bitterheid getuigde over zijn afwijzing door het conservatorium (kort voor zijn dood verbood hij het instituut zijn naam te dragen; later deden ze het toch).

Een schilderij hangt er van Verdi's weldoener Barezzi, de zakenman die privélessen voor hem betaalde en zijn schoonvader werd. Daar ligt ook het manuscript van Oberto, de eerste opera die de 26-jarige Verdi meesjouwde naar de Scala, vervuld van alles-of-niets-ambities. Maar geen mededeling is er over de avond van de première, toen Verdi in de pauze naar huis holde om te kijken hoe het ervoor stond met zijn vrouw Margherita, die in een ongeneeslijke rouwkramp verkeerde na de dood van hun twee kinderen.

Verdi-de mythe is er wanneer je in zaal één getrakteerd wordt op een geluidsband met het koorlied 'Va pensiero' uit Nabucco. Bekend van draaiorgels en voetbalstadions, is het ook de herkenningsmelodie van het negentiende-eeuwse Italië. Bezoekers van de tentoonstelling neuriën mee.

Portretten hangen er van Giuseppina Strepponi, die in Nabucco de sopraanrol zong, en later Verdi's vriendin en tweede vrouw zou worden. Daar is ook de Scala-intendant Merelli, die Verdi zijn eerste opdrachten gaf. Niet bijgeleverd is het verhaal dat de intendant er ook een kind bij cadeau deed, via een eerdere verhouding met Strepponi. Evenmin bijgeleverd is de geschiedenis van Verdi's ergernissen toen hij, eenmaal binnengelopen, een landgoed kocht in Busseto, er met Strepponi ging samenwonen, en in een drekbad viel van roddel en achterklap. Niet bijgeleverd is ook het verhaal van Verdi's enthousiasme over de Dame met de camelia's, Dumas' toneelstuk over ongehuwd samenwonen dat in Verdi's oeuvre La traviata werd.

Als Verdi van nature al niet gereserveerd was, dan zullen de vroege ervaringen van rouw en vernedering aan zijn schuwheid hebben bijgedragen. 'Nooit zal ik mijn memoires schrijven', meldde hij aan een uitgever, 'het is al genoeg dat de wereld mijn noten moet verdragen'.

Een autobiografie zou misschien ook bleekjes hebben afgestoken bij het curriculum vitae van bijvoorbeeld Verdi's librettist Temistocle Solera. Deze medeschepper van Oberto en Nabucco kon bogen op een loopbaan van jurist, circusartiest, adviseur in staatszaken en slaapkamerzaken van de Spaanse koningin, en theaterondernemer in Madrid en Gibraltar. Na de samenwerking met Verdi zou hij zijn carrière nog voortzetten als spion van Cavour en Napoleon III, en als politiechef in Florence en in Sicilië, waarna hij afzakte naar Egypte, en de aldaar heersende Khedive onderwees in de toebereiding van salades.

Je ziet in het Palazzo Reale een compleet Aida-toneel op ware grootte. Vergissinkje: de figuur Aida is de magerste etalagepop die de Milanese modewereld in voorraad had. Je ziet het schitterende, door Inganni in 1852 geschilderde straatbeeld voor de Scala, met links de hoek waar je nu geld kunt pinnen. Je ziet een reconstructie van Verdi's werk-slaapkamer in Busseto, met bedgordijn tegen de vliegen. Je ziet een reconstructie van de hotelkamer waar hij stierf. Uit luidsprekers klinkt er zijn Requiem. Op een of andere manier brengt dit alles het beeld van Verdi-de mens weinig dichterbij, maar misschien ligt dat meer aan Verdi dan aan de meubelen en etalagepoppen.

Wat hem in zijn trots en gekwetste superioriteit plotseling dichtbij brengt, onverwacht, is de vracht aan angst en bedilzucht die hem omringt in de afdeling Verdi en de censuur.

Rigoletto, gebochelde nar in dienst van een versierder met blauw bloed, verandert op last van de pauselijke cultuurpolitie in Rome 1851 in Vascardello - zoals een librettootje met gemutileerde tekst duidelijk maakt. Ook in Napels mogen ze niet op het toneel, de zingende bochel en de schoft van adel: Vascardello wordt Lionello. De opera La battaglia di Legnano, een opera vol militant eenheidssentiment, verplaatst zich na een verbod noordwaarts, en wordt Beleg van Haarlem. Jeanne d'Arcs Franse troepen en Engelse vijanden ('politiek buskruit'): Soldati Lesbiotti e Turchi. Tot behoud van de goede zeden haalt de Bolognese censor de inktpen door La traviata, en schrapt zo ongeveer alles.

Wat je vooral ziet, en daarin is deze tentoonstelling grandioos, zijn oude decorontwerpen, kostuumfigurinen, en handgeschreven partituren. Van Oberto naar het oudedagsmirakel dat Falstaff heet - opengeslagen bij de slotfuga die de tachtigjarige componist over 34 balken laat voortrazen, lachend dat alles in de wereld maar gekheid is. Een opmerkelijk stuk papier ligt in een Trovatore-vitrine. Het is een schets van Manrico's aria 'Di quella pira'. De tenorzang is het componerende brein met kennelijke urgentie komen binnenzeilen. De vocale lijn is haastig neergeschreven, naakt, solo. Eromheen is het leeg.

De loggione van de Scala blijkt massaal een snipperdag te hebben genomen als ook de tenor Janez Lotric, Manricovertolker uit de tweede cast van Il trovatore, zijn topnoten in 'Di quella pira' verzuimt. Uit de zaal klinkt nu slechts een zacht en solitair boe. 'Liever geen hoge C dan een slechte', is het adagium in de Scala van Muti.

Kaarslicht in de Scala veranderde sinds de eerste Verdi-premières in gaslicht en elektrisch licht, met voetlicht, zijlicht, strijklicht, bliksemlicht en gecomputeriseerd licht-donker-licht. Kosten noch moeite zijn gespaard bij de decors voor de nieuwe Scala-Trovatore, met donkerglanzende, vochtig omnevelde, schuivende burchtwanden en rotsen. De acteerkunst zelf bereikt in de enscenering van Hugo de Ana een spectaculair minimum van links op en rechts af, rechterarm naar voren en rechterarm omlaag, en een langzaam in cirkelgang voortsjokken bij het beroemde Zigeunerkoor.

De musicoloog Alfred Einstein vergeleek Verdi ooit met de god Zeus, een Olympiër die onaangedaan neerzag op het fatale gespartel van de figuren die hij creëerde. Die opvatting is moeilijk vol te houden bij Verdi's uittekening van complexe gestalten als Rigoletto, Violetta, Don Carlos en Otello, maar kan kloppen bij de Troubadour, in het half uit de gratie geraakte dramma uit 1853. Waar Manrico wordt afgevoerd naar het finale hakblok, na een avond waarin hij zich heeft beijverd in het geven van serenades, zwaaien met een zwaard en het onnodig voor de voeten lopen van een rivaal, klinkt zijn prachtige 'Moeder, vaarwel' als de oproep tot een spoedige overstap naar de volgende opera.

Dat kan, want onder het motto De Scala voor Verdi presenteert Milaan in 2001 maar liefst tien Verdi-opera's. Volgens artistiek directeur Paolo Arca 'zowel een artistieke beslissing als een morele plicht'. Na Trovatore, Rigoletto, Traviata, Falstaff, Ballo, Macbeth, Otello, krijgt ook de flop van 1840 een herkansing, Un giorno di regno. De Wiener Staatsoper en de Kirov-opera brengen gastvoorstellingen van Jérusalem en La forza del destino.

De vraag is wat Verdi zelf gevonden zou hebben. Toen de Scala in 1889 een feest wilde aanrichten omdat het vijftig jaar geleden was dat zijn eerste opera er in premiére was gegaan, maakte het hem razend dat ze 'niets beters' te doen hadden dan hem aan zijn 'onbelangrijke jeugd' te herinneren. Telegrammen van koning en kabinet lieten hem koud. Eerder al verklaarde hij zich pas bereid om mee te betalen aan een beeld van Bellini, als ze er van hem geen zouden maken.

Dat hij geestelijk intussen kerngezond was, was al vastgesteld door dokter Lombroso, de antropoloog en schedelmeter, die Verdi van enige afstand observeerde, en daarbij zelfs op het punt kwam te staan zijn theorie over de onlosmakelijkheid van genie en gekte op te geven.

'Liever een fluitconcert dan een vriendelijk applaus', was Verdi's antwoord, toen hij bericht kreeg over de kalme bijval voor een van zijn laatste werken, de Quattro pezzi sacri.

Meer over