Blurb

Moet je niet willen: citaatjes op je boek om het te verkopen. Er is één uitzondering.

aatst ontmoette ik Jan Cremer. We hadden het over blurbs op onze onverbiddelijke bestsellers. Of we die erop wilden of niet. Cremer was natuurlijk vóór - als blurbs in 1964 nog niet hadden bestaan, dan had hij ze zelf even uitgevonden.


Ik ben tegen. Op geen van de drukken van Bonita Avenue staat een blurb. Een blurb is vies, mensen, en ik wil geen viezigheid op mijn boek. Het woord dekt de lading niet onbriljant. 'Blurb' is een onomatopee, net als 'tiktak' en 'koekoek' (Van Dale). En niet zomaar een onomatopee, maar de smerigste die we hebben. Geen vogeltjes of klokjes, en zelfs geen aarsgat of een hoop stront, nee, 'blurb' imiteert het geluid waarmee halfzachte schijt onze anus verlaat en zich rechts- of linksdraaiend, dat hangt af van het halfrond waarop we zitten te kakken, opkrult tot een chefwaardige drol.


Dát is een blurb.


'Als er over mijn boek geen stront meer was', zei Cremer, 'dan zorgde ik zelf voor stront. Stuurde ik onder een valse naam een brief naar de krant. Wat een smerig boek is Ik Jan Cremer, zeg.'


Ik knikte. Heel goed. Wat in de krant staat is waar. Maar dat is het hem juist, hield ik vol, daarom zijn blurbs zo vies - omdat ze niet in de krant staan. Het probleem met blurbs is dat ze uitgescheten worden in achterkamertjes, blurbs zijn onderhands, corrupt, bekonkeld. En erger: afgebedeld. Je uitgever, want zelf vind je het ook wel een beetje gênant, bedelt bij een betere schrijver dan jijzelf (anders hoef je z'n stront niet, laten we wel wezen) om een complimentje. Kun je niet iets aardigs zeggen? En anders lees je gewoon een klein stukje - voor het idee. Toe. We zouden het zo waarderen.


Vies. Toch? Blurbs zijn vies, Jan.


(Soms heb ik zo'n bui. Dan kan ik alleen maar glashard herhalen hoe iets zit. De avond begint gezellig, maar aan het einde zit ik met rode oogjes naast een bloemstuk, midden in mijn zendtijd voor politieke partijen. 'Landg'noten, twee dingen. Blurbs zijn vies.')


'En jij dan? Jij geeft zelf toch ook wel eens een blurb? Nou? Geef toe!' (Jan Mulder.)


'Ja, daar zegt Jan zowat. Ik kijk even naar de andere kant. Hoe zit dat?' (Van Nieuwkerk.)


Ik, deadpan: 'Tja, ik ben ook weleens aan de dunne. Als iemand daar zijn kaftje onder wil houden.'


Jan Cremer poetst met een servetje het schuim uit mijn mondhoeken. 'Op mijn US-edition stond een blurb van Elvis', zei hij.


Duizeligheid. Vergelijkbaar met die van Copernicus toen hij inzag dat de aarde om de zon draaide in plaats van andersom.


'Je bedoelt Elvis Présley?'


'Nee, Elvis van Oranje-Nassau', had Cremer kunnen antwoorden, maar hij spaarde me. 'Via zijn manager, hè - zo gaat dat.'


Ik oogtraande. Elvis op je boek. Kennelijk had ik een blurbgrens. Een moord, mensen. Wijs maar iemand aan. 'En?', vroeg ik. 'Leest als een roze Cadillac?'


Wist Cremer niet meer.


En wat donderde het ook. Alles was perfect. Schijt maar gewoon wat. 'Blauwe hoedjes zijn mooi, omdat ze blauw zijn', Elvis Presley - geweldig, ik ben gevleid. 'Istrië, het gebeurde in Istrië' - goeie analyse als The King dat vindt. 'Peter, lekkere jongen dat je er bent, hè, lekkere jongen, met je oogjes en je oortjes en zo.'


Zeker, Elvis, als jij het zegt altijd.

Meer over