Blubbervrije schoenen voor veertien cent

Een steen, een emmertje, een oude tandenborstel, een lap, een plastic bakje en water. Dat is alles waarmee de zevenjarige Nelson een maaltijd voor zichzelf, zijn broertje en ouders verdient....

Elke dag kiest hij positie op de Puente Carías, een van de weinig bruggen over de Choluteca-rivier die de orkaan Mitch in het centrum van de Hondurese hoofdstad Tegucigalpa min of meer intact liet.

'Lavado Mitch, un lempirita', roept hij de forensen toe die uit de krottenwijken van Comayagüela naar hun werk of de straatmarkt in Tegucigalpa slenteren. Voor één lempira (veertien cent) maakt hij hun schoenen schoon.

Vlak over de brug in Comayagüela ligt een van de zwaarst getroffen wijken. Toen Mitch vertrok, liet hij in de straten een halve meter stinkende blubber en afval achter. Omdat laarzen schaars zijn in Honduras, kan niemand de Choluteca over zonder zijn schoenen smerig te maken.

Armoede maakt creatief, dus rook Nelson en nog een handjevol andere kinderen en volwassenen op de Carías-brug zijn kans. Zodra een klant zijn voet op de steen zet, gaat Nelson op zijn hurken zitten. Hij schept een bakje water uit zijn emmer, borstelt de blubber eraf en veegt de schoen droog met een smerig doekje. Zijn gereedschap is primitief en het water is al bruin voor de wasbeurt begint, maar Nelson slaagt er toch in de schoenen schoon te krijgen.

Vlak na Mitch verdiende hij wel 200 lempira's per dag. Maar naarmate de bulldozers van het Mexicaanse leger de straten blubbervrijer maakten, daalden zijn inkomsten. 'Van mij hadden die Mexicanen nog wel een weekje weg mogen blijven. Ik verdien nu nog maar 20 lempira per dag. Net genoeg om van te eten.'

Nelson is niet de enige die van Mitch een deugd heeft gemaakt. Overal in Tegucigalpa en de zusterstad Comayagüela staan mannen, vrouwen en kinderen met spades de blubber uit de huizen te scheppen. In sommige wijken moeten huizen zelfs helemaal worden uitgegraven, omdat de smurrie tot aan de tweede verdieping staat.

Veel scheppers zijn studenten, die het verzoek hebben gekregen 'vrijwillig' hun steentje bij te dragen aan de wederopbouw van Honduras. Maar de meesten zijn sloebers die een paar lempira's per dag verdienen om het huis van een ander weer bewoonbaar te maken. Schepje voor schepje.

Andere vindingrijke Hondurezen hebben zich de eerste twee weken na Mitch verhuurd als menselijke taxi. Voor vijf lempira's per rit droegen ze passagiers op hun rug door modderpoelen en bergen afval.

De laatste keer dat ik Nelson sprak, afgelopen vrijdagmiddag, had hij zwaar de pest in. Bijna iedereen liep hem voorbij, omdat de Mexicanen de straten grotendeels moddervrij hadden gemaakt. De zaken gingen zo slecht dat hij zijn iets oudere broer opdracht gaf een jongetje van een jaar of zes een beuk te geven, omdat die het lef had pal naast Nelsons stekkie ook schoenen te gaan schoonmaken. 'Ik heb al bijna geen klanten meer, dus moest dat ventje gewoon oprotten.' En als de concurrent ouder dan je broer was geweest? 'Tsja, dan had ik een ander plekje moeten zoeken.'

De enige handel die nog wel goed liep in de buurt van de Carías-brug was de verkoop van maskertjes die wij gebruiken bij klussen met een vlakschuurmachine. Zeker de helft van alle passanten op de brug droeg twee weken na Mitch nog steeds een masker of een zakdoek voor de mond tegen de stank van rottend afval en door lijken besmet water. Een maskertje kostte vier lempira's, ruim zestig cent, en de verkopers konden ze niet aangesleept krijgen.

Maar ook aan die handel zal spoedig een einde komen. De Mexicanen werken met groot materieel twaalf uur per dag om de modder op te ruimen. De Hondurese brandweer is met behulp van Venezolaanse vrijwilligers de Choluteca aan het schoonmaken. Als de blubber helemaal weg is, zijn een heleboel Hondurezen hun tijdelijke baantje kwijt. Nelson is nog een kind, maar al jaren gewend aan de dagelijkse overlevingsstrijd. 'Ik vind wel weer wat anders', zegt hij laconiek en resoluut. 'Anders heb ik niets te eten.'

Art van Iperen

Meer over