Bloed ik hevig maar ordelijk

DICHTERS zijn lichtelijk onaangepaste lieden die reeds als puber door dermate heftige hartstochten worden verscheurd, dat zij eerst hun geliefden, en later de rest van de wereld onder een vracht van loodzware gewrochten bedelven, onbegrijpelijke zangen waarin een heroïsche gooi naar de eeuwigheid wordt gedaan....

Toch zijn er genoeg voorbeelden van dichters die eerst op gevorderde leeftijd debuteerden, al valt nooit uit te sluiten dat ze misschien al decennia in het geheim bezig waren. Geslaagde debuten van niet meer zo heel jonge dichters waren die van Ed Leeflang en Jan Eijkelboom, en - meer recent - van Marjoleine de Vos en John Heymans. Wie laat begint, heeft waarschijnlijk het voordeel van de rijpheid.

Hans Groenewegen (1956) heeft zijn sporen als essayist ruimschoots verdiend. Voor de Historische Uitgeverij stelde hij essaybundels over Hans Faverey, Lucebert en Kees Ouwens samen en vorig jaar verscheen Schuimen langs de vloedlijn, een bundel met diepgravende stukken over poëzie. Daarbij valt op dat Groenewegen zich juist tot de moeilijkste dichters voelt aangetrokken, maar in staat is helder en genuanceerd over hen te schrijven. Wanneer zo'n man zelf gedichten gaat schrijven, kan er veel misgaan.

Lichaamswater bestaat uit zes afdelingen die elk zes gedichten tellen. Iedere reeks wordt voorafgegaan door een motto, ontleend aan Van Ostaijen, Van de Woestijne, Lucebert, Ouwens, Faverey en Groenewegen zelf.

De vierde afdeling is geheel aan schilders gewijd en bevat gedichten over werk van Paul Klee, William Turner en Max Beckmann. De lezer zij gewaarschuwd: dit is poëzie voor echte intellectuelen.

Groenewegen is een kijker. Normaal gesproken kun je dichtbundels waarin vaker dan tweemaal het woord 'licht' voorkomt - nog erger: 'tegenlicht' - beter direct wegleggen, omdat de dichter niet begrepen heeft dat schrijven iets anders is dan fotograferen, maar bij Lichaamswater hoeft dat gelukkig niet. Groenewegen kijkt, registreert en noteert nauwkeurig, maar vaak op zo'n manier dat het spannend wordt.

Hier ligt een druppel teer op een leien dak, wachtend op 'een oogwenk zon', in de hoop één moment 'mededogenloos wit' te kunnen schitteren,

zodat in een siddering de lei een glimp opvangt

van de druppel teer die glimmend boven het dak

van schubsgewijs gelegde leien aan de dakrand hangt

Dat ene moment van schittering betekent meteen de ondergang van de druppel, weet ook de waarnemer, die een parallel trekt met zijn eigen oog: 'in het irisblauw de pupil vernauwt tot een git/ wit stipje en het oog alles, even werkelijk alles niet ziet'.

Zoals ook uit de titel van de bundel blijkt, is Groenewegen een man van het water. De eerste afdeling gaat helemaal over die mysterieuze vloeistof waar je doorheen kunt kijken, die niettemin het licht doet afbuigen en waarvan de moleculen een grote cohesie vertonen. Het regent vaak in dit boek, terwijl ook vijvers, rivieren en de zee een prominente rol spelen. Ingenieus is een tweeluik met de titel 'ets'. In het eerste gedicht wordt het 'egale winterregenregenen' in een bos beschreven. Het tweede gedicht is eensluidend, maar tussen de oorspronkelijke regels staan nu cursief, als bij een nieuwe drukgang, enkele nieuwe woorden, die betrekking hebben op de waarnemer van het winterse tafereel. Het is een techniek die Groenewegen van Tonnus Oosterhoff zou kunnen hebben afgekeken.

De beste gedichten zijn evenwel die waarin Groenewegen op een minder ingehouden manier over liefde schrijft. In 'verweerschrift' eindigen de eerste drie strofen steeds met de woorden 'terwijl elders':

hier zit ik en van binnen bloed ik hevig

maar ordelijk in mijn aderen, vingers

teder in je mond lei ik, terwijl elders

In de laatste strofe lijkt de spreker zich zowel 'hier' als elders te bevinden: 'terwijl elders, binnen, lippen op lippen/ tongen koele lijnen licht rondom tepels/ windvingers, stormvlagen buiten, zit ik hier'. Er is geen verschil meer tussen binnenwereld en buitenwereld, hetgeen impliceert dat je nooit ergens voor de volle honderd procent aanwezig bent, omdat wat je doet, ziet en voelt altijd eerst door de zeef van het brein, van de verbeelding moet. Wie liefheeft, weet nooit zeker of hij niet een hersenschim bemint. Dat maakt de intellectualistische poëzie van Groenewegen op zijn beste momenten tragisch.

Meer over