Bitter verleden achtervolgt Polen en joden

In de zeventiende eeuw vierhonderdduizend...

ANET BLEICH

Van onze verslaggeefster

WARSCHAU

In Polen hebben sinds eeuwen joden gewoond.

In de vijftiende eeuw waren het er dertigduizend.

In de negentiende eeuw: twee miljoen.

In de eerste helft van de twintigste eeuw: drie miljoen.

In de tweede helft van de twintigste eeuw: een paar duizend.

Die plotselinge, zeer drastische vermindering, halverwege deze eeuw, is niet veroorzaakt door de Polen, maar door nazi-Duitsland. Maar hoe dan ook, ze zijn er niet meer, de meeste Poolse joden. En daarin schuilt de kern van het probleem. Van de bitterheid en de verwijten die nu de verhouding tussen Polen en joden overschaduwen.

Bij verschillende gelegenheden kwamen het onbegrip, de onderlinge irritaties aan de oppervlakte. Naar aanleiding van de film 'Shoah', waarin regisseur Claude Lanzmann boeren uit de omgeving van Oswiecim (Pools voor Auschwitz) liet vertellen dat ze de treinen naar het kamp zonder verdriet hadden zien passeren. 'Anti-Pools', luidde het oordeel van veel Polen.

De discussie, voorzover je een emotionele uitwisseling van verwijten zo kunt noemen, vlamde opnieuw op naar aanleiding van de affaire met het klooster en het kruis op het terrein van Auschwitz. Het klooster is verhuisd - maar de zusters hebben het deels verhuurd aan een ultra-nationalistische veteranenclub. Het kruis staat er nog.

Ook bij de voorbereiding van de plechtigheden rond de herdenking van de bevrijding van Auschwitz bleken weer gevoeligheden. Enkele joodse organisaties protesteerden tegen vermeende pogingen van Poolse zijde om de herdenking naar zich toe te trekken. Ze overwogen zelfs een soort tegen-herdenking te organiseren.

Het is niet duidelijk wat er tegen de opzet van de officiële herdenking valt in te brengen. Misschien zijn de uitnodigingen wat laat verzonden - perfecte organisatie is geen Poolse specialiteit. De lijst van beoogde sprekers daarentegen - voorzitter Goldstein van het Internationale Auschwitz Comité, de eerste Poolse politieke gevangene, Ryniak, Nobelprijswinnaar Wiesel, Knesset-voorzitter Weiss, oud-Sovjet-generaal Petrenko en de Poolse president Walesa - maakt een doordachte en evenwichtige indruk.

Concurrentie in het leed. Onder die noemer vallen de meer opgewonden uitingen in het Pools-joodse debat misschien het beste te begrijpen. Van beide kanten wordt geschermd met onweerlegbare historische feiten. Als men naar elkaar zou luisteren, zou dat kunnen leiden tot een genuanceerder beeld. Maar de feiten worden vaak gebruikt om op de ander in te hakken.

Globaal kunnen de twee posities als volgt worden samengevat.

1) De joodse visie: In Polen bestond al vóór 1939 op ruime schaal antisemitisme, dat in de late jaren dertig ook nog van regeringswege werd aangemoedigd. De katholieke kerk heeft zich toen - en later - niet ingespannen om het antisemitisme te bestrijden.

Tijdens de Duitse bezetting zijn de drie miljoen joden in getto's samengedreven en grotendeels uitgeroeid, zonder dat het tot noemenswaardig Pools verzet kwam. Polen kende een sterk verzet, maar voor de voornaamste groepering, de Armija Krajowa, was de strijd tegen de jodenvervolging geen prioriteit. Er zijn incidenten bekend waarbij AK-leden joden vermoordden. Er waren veel Poolse verraders.

Na de bevrijding vonden op enkele plaatsen pogroms plaats. Onder het communisme waren banden met Israël taboe. In 1968 kwam het tot een grote, zogenaamd antizionistische, maar in feite puur antisemitische uitbarsting, die bijna alle joden die nog in Polen waren heeft gedwongen te vertrekken. Zelfs nu leeft het antisemitisme - zonder joden - nog voort.

2) De Poolse visie: Eeuwenlang hebben Polen en joden samengeleefd. In de Middeleeuwen zijn ze gastvrij ontvangen. Poolse vorsten en edelen beschermden de joden tegen pogingen van kruisvaarders om pogroms te ontketenen.

Maarschalk Pilsudski, gevierd als de man die deze eeuw de Poolse onafhankelijkheid herstelde, wilde een staat waar alle minderheden (joden, Litouwers, Oekraïeners) gelijke rechten zouden hebben. Inderdaad is het antisemitisme van eind jaren dertig een zwarte bladzij, maar weldenkende Polen hebben dat altijd verafschuwd.

In de oorlog zijn ook de Polen zwaar vervolgd. Drie miljoen Polen kwamen om. Op hulp aan joden stond de doodstraf. Toch hebben tienduizenden Poolse joden met Poolse hulp de oorlog overleefd. Het waren vertegenwoordigers van de Poolse regering die in Londen en Washington (vergeefs) alarm sloegen over de vernietigingskampen.

Onder het communisme hebben de Polen evenveel of meer geleden dan de joden. Met uitzondering van de excessen van '68, maar die campagne kwam van bovenaf. In de eerste na-oorlogse jaren bekleedden sommige joden vooraanstaande posities in de communistische partij en het veiligheidsapparaat. Dat heeft kwaad bloed gezet. De rol van de kerk was niet altijd even gelukkig, maar de huidige Poolse paus heeft het antisemitisme scherp veroordeeld. Het is kwetsend dat Polen zich in landen als de VS en Nederland voortdurend moeten verdedigen tegen de verdenking dat ze wel antisemiet zullen zijn.

Het is een merkwaardig, wrang debat, dat bovendien vaker buiten dan in Polen wordt gevoerd. Ook weer niet zo vreemd, aangezien sinds '68 de meeste nog levende Poolse joden elders wonen. Zowel de 'joodse' als de 'Poolse' argumenten zijn verdedigbaar. Ze hebben allebei (on)gelijk. Maar zolang niet veel meer Polen dan tot nu toe bereid zijn de hand in de boezem van het eigen (vroegere) antisemitisme te steken en zolang onder de joden een trend bestaat de Polen als antisemieten bij uitstek ten tonele te voeren, even erg of erger dan de Duitsers waren, is er weinig hoop op toenadering.

Meer over