Bill Clinton en de superroofdieren uit de grote stad

Midden jaren negentig was Amerika in de ban van de jeugdcriminaliteit. De hel op aarde werd voorspeld, maar plots namen de criminaliteitscijfers af....

Op 4 februari 1997 hield Bill Clinton in Washington een toespraak tot de leden van het Amerikaanse Congres over de stand van de Verenigde Staten. Clinton was drie maanden ervoor herkozen als president van Amerika. Zijn toespraak was somber. Hij kondigde een nietsontziende aanval op de jeugdcriminaliteit af, en een oorlog tegen (jeugd)bendes.

Er is alle reden om keihard op te treden, zei Clinton twee weken later in Boston. Voor 2010 zal het aantal arrestaties van jeugdige criminelen voor geweldsmisdrijven zijn verdubbeld, voorspelde hij. ‘Tieners blijken’, aldus de president, ‘steeds vaker betrokken bij de gruwelijkste geweldsmisdrijven.’ En het aantal door jongeren gepleegde moorden is in tien jaar tijd met 169 procent toegenomen.

Clinton bevond zich met zijn noodkreten over de jeugdcriminaliteit in goed gezelschap. Vele Amerikaanse criminologen waarschuwden al jaren voor een generatie tieners die het land in diepe chaos zouden storten. De vooraanstaande criminoloog John Dilulio voorzag dat hele ‘hordes’ tieners uit de grote steden zouden uitgroeien tot menselijke monsters ‘die rechtstreeks uit de hel’ leken te zijn gekomen om ‘te moorden, te martelen en te terroriseren’, veelal zonder reden. Dilulio noemde ze de superpredators, letterlijk: de superroofdieren, die leven zonder een natuurlijke vijand.

De Amerikaanse krant USA Today schreef in 1996: ‘Er zijn 40 miljoen kinderen in de Verenigde Staten jonger dan 10 jaar* Mensen vragen zich af of er iets kan worden gedaan om de mogelijke superroofdieren onder hen te stoppen voordat het te laat is.’

Clinton, in 1997: ‘We weten dat we een jaar of zes de tijd hebben om de jeugdcriminaliteit aan te pakken of ons land belandt in totale chaos. En dan zullen mijn opvolgers geen klinkende toespraken kunnen houden over de kansen die de mondiale economie ons biedt. Ze zullen hun handen meer dan vol hebben aan het lijfsbehoud van de gewone man op straat.'

En toen zakten opeens de criminaliteitscijfers. Jaar na jaar. Rond 2000 was het aantal doden door geweld in de VS in geen 35 jaar zo laag geweest. In New York zakte het aantal moorden van 2245 in 1990 tot 596 in 2003. Volgens politici en hoofdcommissarissen was deze ommekeer te danken aan nieuwe wapenwetten, aan politiestrategieën en aan de aantrekkende economie die ook gunstig uitpakte voor de allerarmsten.

In zijn vorig jaar verschenen boek Freakonomics toont econoom Steven D. Levitt aan dat de kiem voor de enorme criminaliteitsdaling echter al in 1970 werd gelegd, door een jonge vrouw uit Dallas, Norma McCorvey.

In 1970 was Norma 21 jaar. Ze was arm, ongeschoold, drugsverslaafd en zwanger. Ze had al twee kinderen afgestaan ter adoptie, maar nu wilde ze een abortus. Zoals in bijna in heel Amerika was ook in Texas abortus verboden. Norma spande daarop een proces aan, dat uiteindelijk in 1973 door het Amerikaanse Hooggerechtshof werd beslecht. Abortus werd legaal in Amerika.

Norma McCorvey was uiteraard al bevallen, haar kind had ze opnieuw afgestaan ter adoptie. Maar voor veel alleenstaande tienermoeders was de uitslag van het proces een zegen. Zij kregen kinderen die het grootste risico liepen later in de criminaliteit te belanden. Die kinderen werden, nu abortus was toegestaan, niet geboren. Wat jaren later tot de spectaculaire daling van het aantal misdrijven zou leiden.

En zo zijn er wel vaker ontnuchterende antwoorden op moeilijke vragen. Vraag een willekeurige jeugdofficier van justitie wat de beste oplossing is om de jeugdcriminaliteit naar beneden te brengen, en het antwoord zal niet zijn: jeugdkampementen, begeleiding van bureau jeugdzorg, strenger straffen... Maar: ouder worden. In de vele tientallen jeugdzittingen die we de afgelopen jaren hebben bijgewoond zitten heel veel jonge verdachten letterlijk hardop tegenover de rechters te dromen van het krijgen van een meisje en het hebben van een huis. Dan wordt alles anders, zeggen ze. En daarin hebben ze nou eens wel gelijk.

Peter de Greef

Meer over