Bijlmer-enquête treft niet Jorritsma, maar Netelenbos

Minister Jorritsma heeft laten weten dat zij opstapt als de Bijlmer-enquête uitwijst dat haar dingen zijn te verwijten. Krachtens het beginsel van de ministeriële verantwoordelijk heid dient echter niet zij, maar minister Netelenbos zonodig te vertrekken, meent J....

DEZE week worden (oud-)bewindslieden in het openbaar gehoord door de parlementaire enquêtecommissie Bijlmerramp. Daarbij richt de aandacht zich vooral op de minister van Verkeer en Waterstaat.

De verantwoordelijke minister van Verkeer en Waterstaat op het moment van de ramp was Maij-Weggen. Zij werd in 1994 opgevolgd door Jorritsma, thans minister van Economische Zaken en vice-premier. Sinds 1998 is Netelenbos verantwoordelijk voor het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Jorritsma heeft reeds aangegeven dat zij opstapt als blijkt dat haar dingen zijn te verwijten. Dit is vanuit staatsrechtelijk oogpunt opmerkelijk omdat Jorritsma geen minister van Verkeer en Waterstaat meer is en dus ook niet meer politiek verantwoordelijk kan worden gehouden voor het doen en laten van dat ministerie.

Bovendien is het zo, dat de vraag of een bewindspersoon een verwijt valt te maken strikt genomen niet van belang is bij de ministeriële verantwoordelijkheid. De minister is verantwoordelijk voor het ambtelijk apparaat, zelfs in situaties waarin hij onmiskenbaar door zijn eigen ambtenaren is misleid.

De kritiek van de volksvertegenwoordiging op het ambtelijk apparaat, vindt in de verantwoordelijke minister een mikpunt ongeacht of hem enig persoonlijk falen kan worden verweten. Zou dat anders zijn, dan bestaat het risico dat het ambtelijke apparaat verzelfstandigt ten opzichte van dat bestuur.

In ons staatsrecht geldt dat een minister verantwoording moet afleggen over zijn eigen doen en laten en dat van zijn ambtenaren. Deze verantwoordingsplicht vervalt wanneer de betrokkene wordt ontslagen of bijvoorbeeld naar een ander ministerie gaat. De ministeriële verantwoordelijkheid strekt zich uit over de faites et gestes van ambtsvoorgangers. Zou de verantwoordelijkheid meereizen met de 'toevallige' ambtsbekleder dan zou met de wisseling van de wacht het zicht van het parlement op ministeries verdwijnen en kan van adequate democratische controle en verantwoording geen sprake zijn.

Los daarvan stuit het reactiveren van historische verantwoordelijkheden op het praktische bezwaar dat oud-bewindslieden soms al van het Binnenhof zijn vertrokken. Wanneer de Kamer hen toch aan de tand wil voelen, dan zal zij in het uiterste geval naar het enquêterecht moeten grijpen. Jorritsma is nog in de buurt, Maij-Weggen heeft haar stoel in de Trêveszaal gewisseld voor een zetel in het Europese parlement.

De enige die nu formeel geheel en bij uitsluiting verantwoordelijk is voor wat ambtsvoorgangers en de ambtenaren op het ministerie van Verkeer en Waterstaat deden, is Netelenbos. Met aanvaarding van haar benoeming als minister van Verkeer en Waterstaat heeft zij de gehele erfenis van dat departement voor haar verantwoordelijkheid genomen, zonder de voorwaarde van boedelbeschrijving dus inclusief zogenoemde 'lijken in de kast'.

Jorritsma verantwoordelijk houden voor hetgeen van 1994 tot 1998 onder haar regime is gebeurd, zou betekenen dat men over de zittende bewindsvrouwe, Netelenbos, heen springt. Zou de ene minister voor zaken ter verantwoording worden geroepen die vallen onder de verantwoordelijkheid van een andere minister, dan kan al snel een onontwarbaar web van verantwoordingslijnen ontstaan, waardoor democratische controle op het landsbestuur niet goed meer mogelijk is.

Dit alles neemt niet weg dat wanneer misstanden uit een bestuurlijk verleden aan het licht komen, het politieke vertrouwen in een minister kan gaan wankelen en zelfs kan wegvallen. Het gegeven dat Netelenbos ten tijde van de ramp en de nasleep daarvan geen minister van Verkeer en Waterstaat was, doet geen afbreuk aan haar politieke verantwoordelijkheid voor hetgeen zich heeft afgespeeld ten departemente.

Dit gegeven kan evenwel worden betrokken bij de politieke vraag naar de sanctie op de ministeriële verantwoordelijkheid. Het parlement zal veelal begrip hebben voor een minister die historisch moeilijk geassocieerd kan worden met de gewraakte gang van zaken, zeker indien blijkt dat betrokkene zelf druk doende is de brokstukken op te ruimen.

Niettemin kan de ernst van het falen van het ambtelijk apparaat, nu en in het verleden, sterk worden aangezet door de verantwoordelijke bewindspersoon naar huis te sturen. Met het heenzenden van een minister worden de ambtenaren terecht gewezen: het wordt wel gezien als een blaam, een zweepslag voor het ambtelijk apparaat. Het ministerie zal intern orde op zaken moeten stellen, niet in de laatste plaats om het vertrouwen van de nieuwe bewindspersoon terug te kunnen krijgen.

Meer over