Bij Ludwig in de slaapkamer

Echt spectaculair ziet het er in eerste instantie niet uit. In het plaatsje Hohenschwangau, diep tussen de besneeuwde heuvels van Beieren, zit een Japanse toerist aan een tafeltje van de worst-Imbiss. Hij draagt een muts met een hanenkam erop, en eet een Weisswurst uit een porseleinen kookpot. Als de worst op is, begint de wandeling naar boven.

Door Merlijn Schoonenboom

Eerst is hij alleen, maar eenmaal in het bos kan hij zich bij een dichte stroom van bontgekleurde toeristen voegen; ze schuifelen in alle maten, kleuren en leeftijden de heuvel op. Sommigen zitten samengepakt op paardekarren, het merendeel loopt. Hun doel: kasteel Neuschwanstein, na concentratiekamp Dachau de grootste toeristenattractie in het zuiden van Duitsland.

Voorstellingen van machtige massa’s, zo is de traditie sinds de cultuurpessimisten van de jaren dertig, gaan vooral over schreeuwende, imposante massa’s. De opstand der horden, Massa en macht, zo heten de boeken vervaarlijk. Een toerist stel je je er niet bij voor. Als er één massa is die zich in de afgelopen decennia succesvol als overtreffende trap van onbeduidendheid heeft gepresenteerd, is het de toeristische massa.

Niet voor niets is de toerist het symbool van knullige uniformiteit geworden, zoals bij de hedendaags kunstenaars Duane Hanson en Thomas Struth. Dat slentert maar, dat neemt een foto of een slokje uit zijn waterflesje. In frisgewassen vrijetijdskleding kan de toerist moordenaar, politicus of speculant zijn, maar vandaag is hij toerist en doet hij ons niets.

Maar hoe onbeduidend is deze Japanse toerist, die vandaag de Beierse heuvel oploopt? Een ding is immers zeker: een toerist komt nooit alleen, en hoe groter de groep, des te krachtiger het effect ervan. Hier, boven op de heuvel, krijgt hij zelfs een nummertje uitgereikt, en wacht hij geduldig op de binnenplaats van het kasteel tot hij wordt opgeroepen. In shifts van vijftig schuifelt hij in 35 minuten door de vertrekken, net als jaarlijks 1,3 miljoen anderen.

Dat ze dat uitgerekend voor dit kasteel overhebben, is tekenend. Ook dit kasteel heeft namelijk een symboolfunctie. In de hal staat het standbeeld van de jonge koning Ludwig II van Beieren, in 1869 de opdrachtgever. Hij liet het bouwen om zich in zijn dromen terug te kunnen trekken, als een personage in de opera’s van Richard Wagner.

Overal waart hier de legende van Lohengrin, de ridder met de zwaan; op de muurschilderingen, in de kamer die als een grot is vormgegeven. Voor Ludwig daar zijn dromen kon uitleven, werd hij gearresteerd. Hij werd uit zijn functie ontheven en stierf kort erna. Diagnose: psychisch ziek.

Ludwig is sindsdien uitgegroeid tot een tragisch pre-popicoon, een Michael Jackson van de late 19de eeuw – eerst een gevoelige held, toen uitgelachen en, eenmaal dood, op een voetstuk gezet. Zij het dat Ludwigs rol nogal paradoxaal is voor een dergelijke publieksinteresse. Bij cultuurpessimisten als de filmmaker Luchino Visconti en de schrijver Klaus Mann is hij vooral symbool van de laatste ‘aristocratische eenling’. Dat wil zeggen: het tegendeel van alles wat democratisch en massaal is.

Hier, op een platgetreden toeristenlocatie tussen de heuvels, komen daarmee de grootste tegengestelden van de hedendaagse cultuur samen. Een Japanse toerist gaat op bezoek bij Ludwig; symbool van uniformiteit treft symbool van de excentrieke eenling. Om het geheel te vervolmaken eet hij daarbij een streekgerecht, symbool van ‘traditie’, en draagt hij een hanenkam, symbool van politieke radicaliteit, als muts.

‘De massa heeft een dodelijke haat tegen alles wat buiten haar staat’, schrijft Elias Canetti in Massa en macht. In Neuschwanstein is zonder enige twijfel het tegenovergestelde waar te nemen. De toerist heeft niets aan middelmatigheid, hij wil iets opmerkelijks, iets ‘authentieks’ op zijn foto, en hij boekt een reis naar het excentrieke, naar dat ‘wat buiten hem staat’.

Als iets de hedendaagse massacultuur namelijk kenmerkt, is het dat ze in staat is álles, zonder onderscheid, in zich op te nemen – als het maar leuk kleurt of grappig oogt. Che Guevara wordt een logo op een T­shirt, de hanenkam van de punker wordt een wintermuts voor toeristen, het luchtkasteel van de aristocraat wordt een trekpleister voor miljoenen.

De gestage opkomst van Neuschwanstein in de 20ste eeuw zegt daarmee alles over de dubbelzinnige kracht van de toeristische massa. Ludwig verbood bezoekers in zijn toevluchtsoord, maar toen hij stierf, liet hij zulke enorme schulden achter dat er wel toeristen moesten komen om die te betalen. Eerst kwamen ze in kleine groepjes uit de regio, inmiddels zijn het massa’s van over de hele wereld, die zelf ook niet meer weten waar ze nu eigenlijk zijn.

Sterker: de grootste aantrekkingskracht vormt allang niet meer het historische personage van Ludwig. Alles wat hier te zien is als ‘typisch Duitse geschiedenis’ is bekend via een omweg, dankzij de amusementsindustrie van de Verenigde Staten: in het bijzonder Walt Disney. Neuschwanstein stond in 1955 model voor het Doornroosje-kasteel in Disneyland in Californië, en later ook nog eens voor hetzelfde ontwerp in Hong Kong.

Ludwig speelt voor de meeste bezoekers anno 2010 hoogstens een bijrol als ‘Mad King Ludwig’ in een sprookjeskasteel. Zelfs de Wagneriaanse atmosfeer draagt hieraan bij, aangezien diens Gesamtkunstwerk-opvatting volledig is overgenomen door de filmindustrie van Hollywood.

Het gevolg: van de verlangde authenticiteit is natuurlijk geen sprake meer. Hoogcultuur wordt massacultuur via het standje bij de ingang met pluche zwanen en Lohengrin-shirts. Speciaal voor het Japanse en Amerikaanse publiek wordt het geheel gecomplementeerd met ‘traditioneel Beieren’, of beter gezegd: met dat wat men als Beieren ervaart: Weisswurst en bier.

In de cultuurfilosofie noemt men dergelijke cultuuruitingen daarom ook wel laatdunkend de ‘Disneyficatie’ van cultuur; een pessimistische visie die hier niet moeilijk is mee te voelen. De toeristische massa heeft zich als een grote verstikkende deken rondom de aristocratische dromen gewenteld, en weet daarmee iedere radicaliteit onschadelijk te maken. En als ze het niet kan gebruiken, dan laat ze het liggen, en wordt het onherroepelijk vergeten.

Maar dergelijk pessimisme is ook wel erg makkelijk. Er zit namelijk ook een andere kant aan: zonder de toeristische massa vindt er geen icoonvorming plaats, zonder een miljoen flitsende iPhones geen roem, en zonder roem geen vrolijk en bevrijdend hergebruik van de oude heilige huisjes van de cultuur. Daarbij is het dorpje, dat 130 jaar geleden gebukt ging onder de grillen van de aristocraat, nu volledig voorzien van inkomsten door diezelfde koning.

In de slaapkamer van Ludwig staan we stil. 60 miljoen bezoekers zijn in deze kleine kamer geweest. Je mag er geen foto’s maken, dus leggen we onze vingers op zijn toilettafel, kijken we naar zijn plafondschildering en lachen we om de grotkamer, alsof het een kitscherig grapje is uit de Ikea-catalogus.

De toerist bij de oude Ludwig is als de fan van de popster: hij verlangt naar het vreemde, maar alleen voor eigen gebruik. We kijken naar Duitse neoromantiek, maar we komen voor de versie van Disney, van Visconti of van onze eigen dromen.

De toerist in de slaapkamer van Ludwig tekent de ultieme overwinning van de massacultuur. Geen klasseverschillen, geen knellende tradities, en iedereen geeft zijn eigen betekenis. De toeristische mens is helemaal niet onbeduidend, hij is onderdeel van de krachtigste massa van de huidige tijd. Bevrijdend en verstikkend tegelijk.

Meer over