Bij lage opkomst ook minder zetels

Na de statenverkiezingen is opnieuw gepleit voor herinvoering van de opkomstplicht. Een recht kan echter nooit een plicht worden, stellen Jeroen Veth en Sander Thomassen....

VOOR NEDERLAND is 1999 een echt verkiezingsjaar. Een paar weken geleden waren er de verkiezingen voor de Provinciale Staten en 10 juni kunnen we ons uitspreken over onze vertegenwoordigers in het Europees Parlement. Hoewel deze twee verkiezingen schijnbaar weinig met elkaar van doen hebben, delen ze toch iets, namelijk de desinteresse van een meerderheid van de kiesgerechtigden in Nederland.

De opkomst bij de statenverkiezingen bereikte een dieptepunt van zo'n 47 procent en bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 1994 vond een derde van het electoraat het niet nodig zijn stem uit te brengen. Gelukkig is het met de verkiezingen voor de Tweede Kamer en de gemeenteraden niet zo triest gesteld. Wellicht verdient deze opmerking enige correctie: nog niet.

Opvallend genoeg lijkt niemand zich werkelijk zorgen te maken. Politici maken zich pas zorgen rond de verkiezingen en de wetenschap beperkt zich tot het analyseren van het waarom van de lage opkomst. Bij gelegenheid is er dan de roep om herinvoering van de stemplicht. Verder blijft het verdacht stil rond de afkalving van de representativiteit van raden, staten en parlement.

Al vaak zijn er analyses gemaakt over het waarom van de sinds 1980 tanende opkomst bij verkiezingen. Steeds weer waren deze terug te brengen tot drie grondredenen, namelijk gebrek aan vertrouwen in de politiek, electorale laksheid en de het-gaat-toch-goed-met-me redenering.

Los van het feit dat er overdreven veel aandacht is besteed aan de probleemanalyse, zijn er in de afgelopen twintig jaar weinig serieuze alternatieven aangedragen. Het enige idee dat wel is geopperd sinds de afschaffing van de stemplicht, is de herinvoering van diezelfde stemplicht.

Herinvoering van de stemplicht is wat ons betreft principieel ongewenst en biedt bovendien weinig soelaas. Ten eerste is het natuurlijk op zijn minst tegenstrijdig te noemen dat we van een recht, omdat er te weinig gebruik van wordt gemaakt, dan maar een plicht te maken. Het stemrecht geeft namelijk aan dat men er gebruik van kan maken indien men dat wenst. De stemplicht daarentegen spreekt een uitdrukkelijke dwang van overheidswege uit.

Hoeveel waarde we ook hechten aan de verworven rechten die een democratie ons biedt en hoezeer we het ook moreel wenselijk vinden dat een ieder gaat stemmen, willen we burgers toch ook de keuze laten niet deel te nemen aan het democratisch proces. Daarnaast zal de individuele gevoelswaarde van het stemrecht afnemen op het moment dat er een plicht van wordt gemaakt.

Ten tweede zijn er praktische bezwaren tegen de stemplicht. Het bewustzijn van mensen, die normaal gesproken niet zouden gaan stemmen, zal er niet groter van worden. Dit leidt er direct toe, dat zij onbewuste en waarschijnlijk ook onverstandige keuzes maken. Daarnaast moeten plichten, bij het niet nakomen ervan, ook gesanctioneerd worden. Het lijkt ons haast onmogelijk en ongewenst om burgers die niet stemmen, te gaan beboeten.

Maar wat moeten we dan wel gebeuren? In de eerste plaats moeten volksvertegenwoordigers en politieke partijen meer en duidelijker de kiezer tegemoet treden met zaken die hen aanspreken. Echter, die oplossing is net zo oud als de weg naar Rome en bewijst niet voldoende te werken of niet voldoende in de praktijk te worden gebracht.

Gekscherend is wel eens geroepen dat zij die niet gaan stemmen dan ook maar niet vertegenwoordigd moeten worden. Welnu, zo gekscherend lijkt ons dat bij nader inzien niet. Wij zouden dat dan ook inderdaad willen voorstellen. Een elitedemocratie dus, die ten doel heeft te voorkomen dat democratie een elite-aangelegenheid wordt.

Enerzijds willen we mensen het recht geven niet democratisch vertegenwoordigd te worden en hen zeker niet verplichten de weg naar een stemlokaal te vinden.

Anderzijds willen we een ander deel van het electoraat, namelijk het lakse en tevreden deel, ertoe bewegen hun verantwoordelijkheid te nemen. Daarnaast willen we dat het niet gebruik maken van een recht dan ook niet leidt tot het gevolg van dat recht.

Concreet betekent het dat het percentage van de opkomst direct of gedeeltelijk gekoppeld wordt aan het percentage bezette zetels. Het gevolg kan zijn dat bijvoorbeeld een Tweede Kamer of gemeenteraad lege plekken gaat vertonen. Het (lange termijn) effect zal echter zijn, dat meer mensen zich verantwoordelijk zullen voelen te gaan stemmen. Immers, op het moment dat een opkomst van bijvoorbeeld 30 procent bereikt wordt, zullen velen die normaal gesproken niet zo nadenken over het belang van hun stem, zich toch eens achter hun oren krabben.

Per saldo zal de opkomst in de toekomst minder laag zijn en kan het electoraat in elk geval zelf beslissen wat de grenzen van de representativiteit zijn. Weliswaar wordt Nederland hiermee in zekere zin een elitedemocratie, maar bepalen kiezers zelf of zij deel uit willen maken van die elite en hoe groot de elite wordt.

Meer over