Bericht uitMexico

Bij de onbekende uit Europa durven mensen hun tranen te laten stromen

María Ivette bij de resten van haar huis, dat werd verwoest door tropische stormen in het noordwesten van Honduras. Beeld Joost de Vries
María Ivette bij de resten van haar huis, dat werd verwoest door tropische stormen in het noordwesten van Honduras.Beeld Joost de Vries

Op camera dienen tranen een doel. Althans, ze bereiken een publiek, al vloeien ze wellicht niet specifiek voor de kijker. De tranen die ik tegenkom als schrijvend verslaggever zijn alleen voor mij en voor degene bij wie ze over de wangen glijden. Ik heb ze niet nodig voor mijn verhaal, ze komen vaak slechts als bijzinnetje voor in mijn stuk en zijn zelden goed te vangen op een foto.

Het komt met enige regelmaat voor dat de mensen die ik interview worden bevangen door emoties. Ik vermoed dat meespeelt dat ik geen gevaar vorm. Ik ben een onbekende uit het verre Europa, een luisterend oor, ik ben ‘internationale media’. Vaak beginnen mensen al te vertellen voordat ik ‘van de Volkskrant’ heb gezegd. ‘Bolskran?’

Vorige week was ik in de stad San Pedro Sula in het noordwesten van Honduras. Ik interviewde gezinnen die al drie maanden langs de weg in tenten wonen omdat in november twee tropische stormen hun huizen hebben weggespoeld of opgevuld met metershoge modder. Veertigers María Ivette en Elida namen me mee naar wat er over was van hun huizen, een stapel planken en een metalen golfplaat. Om er te komen moesten we zo’n twintig minuten over modderhopen klauteren.

Toen we er waren, maakte María Ivette na een paar minuten al aanstalten om terug te gaan. Ik vroeg of het haar zwaar viel om de ravage te zien. Ze ontweek mijn vraag. Tijdens de terugtocht kwam een vrouw met schep in de hand uit haar huis. ‘We hebben geen journalisten nodig, we hebben hulp nodig!’, riep ze. Ik knikte maar wat en vroeg of de overheid dan niets deed. Nee, natuurlijk niet, hier kwam niemand helpen.

Terug bij de tenten langs de autoweg dromden de mensen om me heen. Misschien kwam ik iets brengen – eten, geld, informatie. Een oudere vrouw begon ongevraagd een video af te spelen op haar telefoon: ‘Kijk, mijn huis, alles is kapot, daar stond een muur, we zijn al onze spullen kwijt. Kijk, kijk, kijk.’ De zon scheen in haar scherm en ik zag bijna niets. Een paar flarden, dezelfde misère waar ik zojuist doorheen was gelopen. Ik had al meer informatie dan ik in mijn stuk kwijt kon. Ze begon te huilen. Ik wilde zeggen: mevrouw, zet toch uit, spaar de batterij, want jullie hebben hier geen stroom. In plaats daarvan greep ik even haar schouder en vertrok.

Dezelfde week bezocht ik de Caribische kust voor een verhaal over een inheemse Garifuna-gemeenschap, waarvan het land wordt bedreigd door vastgoedondernemers. Ik interviewde een lokale leider, César, een donkere dertiger met een in alle opzichten groot lichaam. Hij vertelde over een goede vriend – een geliefde jongen in het dorp, een grappenmaker, een activist die mensen inspireerde – die een half jaar geleden werd ontvoerd en nooit terugkeerde. De grote César zakte steeds verder weg in zijn stoel, totdat zijn woorden stokten. De familie van zijn maat vertrouwde hem niet, zei hij.

Met zijn gasten van de internationale pers deelde hij wat hij in zijn dorp met niemand kon delen. Dat zijn functie als een molensteen om zijn nek hing. Dat de gemeenschap was verscheurd door angst en wantrouwen en dat hij de gebeten hond was. De tranen welden op in zijn rooddoorlopen ogen. Ik knikte en mompelde woorden van medeleven. En daarna vertrok ik.

Joost de Vries is correspondent in Latijns-Amerika.

Meer over