Bij de heilige Anna klinkt hardrock-muziek

Lierke Plezierke was de onvergankelijke bijnaam die de schrijver Felix Timmermans voor zijn geboortestad bedacht. Hij schreef er ook een ode aan....

FRANS VAN SCHOONDERWALT

IN DE DAGEN van de Fé heetten de cafés De Eenhoorn, de Biekorf, 't Lieve Vrouwken of In 't Kruis. Tegenwoordig dragen ze namen als Retro 2000, Kinnebaba, Falstaff en Oriëntexpress.

Of gewoon De Lier.

Wat op beduidend minder fantasie wijst dan een restaurant dat zich De Gekrulde Zinnen noemt.

De Moedige Vissers klinkt ook nog wel aardig. Bij nader inzien blijken zij echter geen bier te tappen, maar rondvaarten op de Kleine Nete te organiseren.

Lier ligt 'waar de drie kronkelende Nethen een zilveren knoop leggen'. Waar 'plots het spekbuikige, overvloedhoornige Brabant zich scheidt van 't mijmerend, magere Kempenland'.

Lierke Plezierke was de onvergankelijke bijnaam die Felix Timmermans voor zijn geboortestad bedacht. Hij schreef er ook een jubelende ode aan, Schoon Lier. Na lezing gingen velen met begeerte in het hart op zoek naar deze 'droom van Vermeer', gelegen in een arcadisch land, in Pallieterland, waar het volk mals, los en joviaal is en God looft 'met een stuk spek in de mond'.

Hun zoeken was vergeefs. Ze vonden Lier, maar ze vonden niet het Lier van Timmermans. En zeker niet het geïdealiseerde, dichterlijke Lier uit de jeugd van Timmermans, dat na de eeuwwisseling in steeds sneller tempo afbrokkelde. Verdwenen zijn al lang de stadspoorten -op de Gevangenenpoort na -, verdwenen de water- en windmolens, de mosselschuit en de stoomtram en de begijntjes. In puin viel de Cornelistoren, opgeblazen werd de St Janstoren. En de uitspanning In Sint-Gummarus verhuisde naar het openluchtmuseum in Bokrijk.

Maar op de Grote Markt dansen de glazen met het zurige Caves-bier nog altijd op de cafétafeltjes terwijl in de verte de Gummarustoren oproept voor het Lof. 'De herberg nevens de kerk. Het heimwee naar de Hemel en een dronk op het leven', dàt Lier heeft de tijd doorstaan, net als het indrukwekkende Begijnhof, een der mooiste van België.

Op 5 juli 1886, tegen elf uur 's avonds, werd Felix (Fé) Timmermans geboren, als dertiende kind. 'Voor mij bleef er geen plaats meer in het trouwboekje, en daarom schreef men mij dan maar op de omslag.'

In de Stadswandeling Timmermanspad van de VVV Lier wordt het geboortehuis verzwegen en gemeden. Terecht. Van alle betoverende jeugdherinneringen die Timmermans zijn hele leven meezeulde (èn beschreef), is er op Kartuizersvest 5 geen enkele nog tot leven te roepen. Taverne De Lier bestaat overwegend uit ramen, Maespils-reclame en een uithangbord. Prozaïscher kan het niet.

Hij woonde er op een balworp afstand van de Grote Markt, 'die moeite doet om zo groot te zijn als die van Sint-Niklaas, maar er niet in gelukt'. Op dit soort markten heeft Vlaanderen patent. Ze zijn gevuld met 'juweelschrijnige huizen', oude gildepanden met gotische en barokke gevels, met monumentale trappen en ornamentale versieringen.

Zo ook Lier. Omdat het hedenochtend markt is, vertroebelt opwaaiend tentzeil af en toe ons uitzicht. Maar boven het grauw van de vele kramen steken de gevels hun blinkende koppen op, fris geboend als komen ze net uit het zaterdagse bad. En in hun midden koesteren ze het rococo stadhuis, 'de hersenpan van de stad' en het gotieke Belfort, die 'zijn ronde spits in de lucht angelt'.

EEN HANDVOL stappen is het slechts naar het Felix Timmermansplein, geplakt tegen de boorden van de Kleine Nete. Een plein is het eigenlijk niet. Het is eerder een verbrede straat, met treurwilgen en veel stoep. Met een herberg die St Gummarus heet, en een restaurant dat zich De Fortuin noemt en in een schitterend zeventiende-eeuws stapelhuis zetelt, met groene en roodwitte luiken.

Op de hoek staat een Madonna met kind achter glas. Net als ten tijde van Timmermans 'bloeit er in elke straat een vroom-vereerd O.L. Vrouwbeeld, dat vaak 'als een stenen postuurken in een smal nisken' staat. Deze opgesmukte Madonna is Onze Lieve Vrouw van Bescherming en elf jaar geleden 'in praal heropgericht door het ware broederschap der ijverige geburen'.

Van veel hogere leeftijd is het miraculeuze Mariabeeld naast de Begijnhofpoort, maar te controleren valt dit niet. De nis is op slot, maar evenzeer leeg. Het 'honingzoete beeld uit Holland langs de baren der zee, hier aangespoeld en in onze stad gevaren', het beeld dat Timmermans inspireerde tot de novelle Onze Lieve Vrouw der Vissen, is absent. Boven de poort kijkt de heilige Begga als de onschuld zelve.

In dit Begijnhof sleet Felix Timmermans een groot deel van zijn leven. Hij ontving er vrienden als Stefan Zweig en Isidoor Opsomer, wandelde er rond met zijn vier kinderen, schilderde en schreef er boeken als De zeer schone uren van juffrouw Symforosa. Hoezeer het Begijnhof een inspiratiebron kon zijn, ontdekte al vóór hem Tony Bergmann, een andere schrijverszoon van Lier, wiens uit koper en marmer opgetrokken standbeeld (uit 1897) de Lierse Stadsvest overziet.

Aan zo'n standbeeld is Timmermans blijkbaar nog niet toe. Hij moet het voorlopig stellen met uit hout gesneden wegwijzers die van Anton Pieck afkomstig lijken. Naar Pallieterland verwijzen een huifkar, een hond en een paard dat aan Palmbier doet denken, naar de door bomen overschaduwde Timmermansvest verwijst een in negentiende-eeuwse dracht gestoken echtpaar. (De gedachte aan Anton Pieck is trouwens zo gek nog niet, want het verhaal wil dat diens houtsneden van het Begijnhof Timmermans weer inspireerden tot Schoon Lier.)

In de amandelboom van Lier, zoals Timmermans het Begijnhof karakteriseerde, ruikt het vooral naar het verleden. Naar kanten gordijntjes ('Het Lierse kant wordt fel begeerd in andere landen'), geschrobde kasseitjes, kaarsvet en boenwas.

Daar zit, tegen de zijgevel van de kerk, een Ecce Homo opgesloten achter dik traliewerk, een Christus die de kinderen Timmermans danig schrik aanjoeg. Begrijpelijk. Het uitgemergelde beeld is besmeurd als een mijnwerker. Een rood lampje legt er een mystiek licht over, de spinnewebben tussen de tralies vervolmaken het lugubere tafereel.

In dit Begijnhof huizen nog steeds de heiligen. Sint Romualdus, de heilige Sura, de heilige Cornelius. Den verdroencken Franciscus woont in de Symforosastraat op nummer 1. Zijn buurman is Sint Bernardus, schuin tegenover hem huist de heilige Dominicus. In het grotere huis op nummer 5 woont uiteraard de heilige Familie. Vanachter de deur bij de heilige Anna klinkt hardrock-muziek.

Om de hoek ligt het Hellestraatje waar Timmermans en zijn vrienden zich ooit aan spiritisme waagden en daarom door de pastoor de deur werden gewezen. Dat moet in huize Ruusbroec zijn geweest, tegenover het ijzeren hekwerk van nummer 4, een lief, wit huisje waar de tuinman Martinus uit Juffrouw Symforosa woonde. Op dinsdag- en donderdagmiddag is het te bezichtigen, volgens een bordje op het hek.

WAAR HET Hellestraatje met een haakse bocht overgaat in de imponerende Grachtkant, ligt wat weggefrommeld in de hoek 't Soete Naemken. Qua omvang blijft het ver achter bij de majestueuze huizenrij, die deze straat ter rechter zijde markeert. Bergmann liet er Bertha uit Ernest Staes wonen, Timmermans werkte er kort tijd alvorens te verhuizen naar het andere einde, naar St Gummarus.

Dochter Lia herinnert zich 'een voorhuis met een gevel in rode baksteen, en witte banden erdoor. Door het ronde groene deurtje kwam men in een grote hal, waar de blauwe tegels altijd klammig bleven'.

De groene deur is tot op het bot ontveld, de tegels zijn uit de hal gelicht, de gevel gaat schuil achter bouwsteigers. Fase drie van een grootscheepse restauratie.

Lia Timmermans: 'Links van de inkom lagen de twee ruime, lage kamers waar vader schreef en schilderde.' Die kamers zijn nu volledig (maar tijdelijk) ontkleed. Alleen wat plafondversieringen zijn gespaard. We kunnen dwars door het karkas kijken, tot op een piepklein achterplaatsje. En nog verder, tot op de Netedijk waar eens de begijntjes in het gras hun wasgoed bleekten.

Felix Timmermans - in 1912 getrouwd met Marieke Janssens - verhuisde in 1926 naar De Heyderstraat 30. 'De straat is afgespannen door de smalle, spitse Kluizekerk. Ge kunt niet anders dan in die kerk terechtkomen. Maar 't is niet waar, rechts ernevens is een smal straatje, dat naar de Look voert.'

Het gezichtsbedrog werkt nog steeds. Vanaf de stoep van nummer 30 is het net alsof de straat het voorportaal van de kerk binnentrekt. 'Hier werkte en overleed Felix Timmermans, 1886-1947' liet de Vlaamse Toeristenbond in 1957 op de bladderende gevel aanbrengen. Het is een eerbiedwaardig huis van drie verdiepingen, met witte luiken, en lage balustrades voor de ramen, in een omgeving die vooral rust ademt.

Timmermans had hier heel Lier binnen handbereik. Zoals de imposante Sint-Gummaruskerk, 'in leverworstkoleur, dragend een gezellige peperbusmuts waarboven een koperen haan draait en een kruis peinst', en met een interieur (glas-in-loodramen, oksaal, beelden) dat alleen al een tocht naar Lier rechtvaardigt. Zoals de stokoude Sint-Pieter en Paulus-kapel uit de dertiende eeuw, 'het ei waar Lier is uitgebroed', ''t moederken van de stad, met het rhumatisme in haar leden'.

Café Pallieter ligt op het Zimmerplein, met uitzicht op de dertien wijzerplaten van de Zimmertoren. Wanneer het hele of halve uur slaat, komt er leven in de vier figuren die de jaargetijden symboliseren en door Timmermans werden getekend. In de toren zelf hangt een foto waarop Timmermans naast de geniale uitvinder en horlogemaker Louis Zimmer staat. Een gedrongen man in een winterjas, een hoed op het hoofd, om de mond een ietwat ironisch lachje. Een notabel, voor wie niet beter weet.

Zwieriger, veel meer de levenskunstenaar, de vader van Pallieter, is hij op de foto's en schilderijen in het Timmermans-Opsomerhuis, het museum aan de Nete waarmee Lier zijn talloze kunstenaars eert. Daar hangt ook Het huizeke van verlangen, het veelkleurige, primitieve schilderij dat hij voor zijn zoon Gommair maakte. Het verbeeldt het Vlaamse leven, gezien door de ogen van een kleine jongen en die van Felix Timmermans. Een poes voor het raam, een brevierende pastoor, een rokende schoorsteen, een kraai op het dak, een grazende geit.

Pastoor noch geit komen we tegen. Wel op de Stadsvest twee grazende lama's. Van een petieterig circus.

Geraadpleegd: Felix Timmermans: Schoon Lier (P. N. van Kampen en Zn, 1965) en Een lepel herinneringen (Manteau, 1968). Lia Timmermans: Mijn vader (Desclée de Brouwer, 1962).

Timmermans-Opsomerhuis, open 1 nov-31 mrt zondag 10-12 en 13.30-16.30 uur; 1 april-31 okt dagelijks behalve ma en vrij 10-12 en 13.30-17.30 uur.

Meer over