Bij abortus begint het grote sterven

Tussen abortus enerzijds, en moord en doodslag anderzijds bestaat weliswaar geen causaal verband, het is evenmin zo dat beide niets met elkaar te maken hebben....

BESTAAT er een verband tussen het recente straatgeweld met dodelijke afloop in Leeuwarden en de wetgeving rondom abortus en euthanasie? Over het antwoord op die vraag verschillen minister Borst van Volksgezondheid en ik van mening.

Ook uit andere reacties op mijn recente uitspraken bleek dat men aan de kern van de analyse voorbij ging. Dat is jammer. Niet alleen omdat politici wederom geïrriteerd reageerden op een kritisch geluid van kerkelijke zijde. Maar vooral omdat er te veel op het spel staat. Het kan niet zo zijn dat een overhaaste reactie op één element uit een lang gesprek een nadere bezinning blokkeert.

Het is immers voor de toekomst van onze samenleving van levensbelang dat wij nadenken over de verantwoordelijkheid die wij allen hebben voor de morele vorming van een jonge generatie. Volgens mij dient deze vorming gedragen te worden door de grondovertuiging dat elk menselijk leven een absolute waarde vertegenwoordigt. Alle normen zijn uiteindelijk zinloos wanneer wij rondom deze waarde geen kleur bekennen.

Onze samenleving verhardt. Met name onder jongeren lijkt er sprake van een fascinatie voor geweld en doodslag. Dat uit zich in de belangstelling voor televisieprogramma's die geweld tot amusement verheffen, maar ook in excessief geweld op straat. Soms hebben dergelijke ruzies - zoals recent in Leeuwarden of eerder in Beverwijk - een dodelijke afloop.

Het opvallende van deze twee laatste incidenten is dat het hier niet ging om zogenaamde asociale jongeren, maar om al wat oudere jongeren die tot de doorsnee van de bevolking behoren. Alhoewel deze incidenten gelukkig als excessen mogen worden beschouwd, zijn de daders dus óók grootgebracht in en door onze cultuur. Daarom bieden maatregelen als meer blauw op straat, grotere gevangenissen en strengere straffen geen echte oplossing. Ze bestrijden slechts symptomen.

We zullen allereerst bij onszelf te rade moeten in welke cultuur deze jongeren opgroeien. Gebrek aan houvast doet veel jongeren vluchten in geweld, drank of drugs. Gemakshalve noemen we hen de 'Generatie Nix', maar de eigenlijke vraag is natuurlijk of wij ze wel voldoende in handen geven.

Mijn stelling is dat er in de pedagogische vorming van jonge mensen in deze samenleving iets wezenlijks ontbreekt, namelijk de overdracht van de absolute waarde van het leven. Overtreders van de normen rond leven en dood zijn daarom ook slachtoffers van een samenleving waarin het onvervreemdbare recht op leven wordt gerelativeerd.

Dat het leven als absolute en onaantastbare waarde aan inflatie onderhevig is, uit zich op verschillende manieren: in het onbeperkte aanbod van geweld en doodslag op de Nederlandse televisie, maar ook in de manier waarop de samenleving rondom abortus en euthanasie antwoord geeft op de vraag naar de waarde van het leven. Natuurlijk bestaat er tussen het geweld op straat en de wetgeving rond abortus en euthanasie geen causaal verband, in de zin dat deze wetgeving een vrijbrief biedt om andere mensen dood te trappen. Maar het is evenmin zo dat tussen deze verschillende facetten geen enkele samenhang bestaat.

In de visie van de rooms-katholieke kerk heeft iedere mens een onvervreemdbaar recht op leven. Overal waar dit recht in het geding is, springt de kerk in de bres. Of het nu gaat om mensen die onvoldoende middelen hebben om te leven, of om mensen die in hun eigen land in hun leven bedreigd worden of om ongeborenen die het recht op leven wordt ontzegd. De visie van de kerk op het armoede- en vluchtelingenbeleid berust dus op precies dezelfde waarde die leidt tot de afwijzing van abortus en euthanasie.

Vanuit deze grondleggende waarde is een norm geformuleerd: 'Niemand mag, in welke situatie dan ook, voor zich het recht opeisen om rechtsreeks aan een onschuldig menselijk wezen het leven te ontnemen' (Donum Vitae, Inl. 5). Wie deze norm overschrijdt, tast een absolute waarde aan. De katholieke kerk baseert zich daarbij uiteindelijk op de gelovige overtuiging dat ieder mens geschapen is door God, naar Gods beeld en gelijkenis. Maar de kerk constateert met vreugde dat veel mensen ook zonder dit 'geloofsargument' deze waarde kunnen onderschrijven.

Omdat het menselijk leven begint vanaf het moment van de conceptie, heeft de ongeboren vrucht recht op dezelfde bescherming als ieder menselijk wezen. Een 'zorgvuldige abortuswetgeving' is naar de mening van de katholieke kerk dan ook een contradictio in terminis.

De kerk gaat er van uit dat wat legaal is, niet moreel verantwoord hoeft te zijn. De abortus- en euthanasiewetgeving in ons land is daarvan een goed voorbeeld. Bovendien hebben de Nederlandse bisschoppen niet alleen kritiek op de 'zorgvuldige abortuswetgeving' als zodanig, maar stellen zij ook vragen naar de zorgvuldigheid waarmee deze wetgeving wordt nageleefd. Het ontduiken van de wet door sommige artsen van abortusklinieken leidt niet tot optreden van regeringswege. Uit televisiereportages blijkt dat deze artsen niet toetsen of er daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie, dat zij geen alternatieven als adoptie voorhouden, en dat zij de wettelijk voorgeschreven bedenktijd niet al te nauw nemen.

De minister van Volksgezondheid biedt zelf geen houvast bij de interpretatie van wat een noodsituatie is. Zo vindt de minister dat het aborteren van een blind kind wel kan, maar een abortus op basis van geslacht niet. Tenzij de ouders in een cultuur leven waarin meisjes minder gewenst zijn dan jongens. Maar waar deze normen op gebaseerd zijn, wordt niet duidelijk. Wat daardoor overblijft, zijn particuliere opvattingen, waar iedereen anders over kan denken.

De principiële afwijzing van abortus betekent niet dat de katholieke kerk de 'daders' afschrijft. De kerk heeft de plicht om te oordelen over goed en kwaad, niet over mensen.

Het is bovendien niet altijd evident wie nu eigenlijk de 'schuldige' is. Als een samenleving gedragen wordt door een 'cultuur van het leven', zal zij elke abortus als een collectief tekortschieten beschouwen. Hebben we zo'n samenleving waarin elk nieuw leven van harte wordt verwelkomd, of hebben we een samenleving waarin een zwangerschap die niet 'gepland' is vooral als een probleem wordt beschouwd?

In een 'cultuur van het leven' blijft niemand in de kou staan, maar neemt de samenleving verantwoordelijkheid voor het nieuwe leven: door sociale voorzieningen te creëren die alleenstaande moeders daadwerkelijk in staat stellen om voor hun kind te zorgen, en door adoptie makkelijker te maken.

Zo'n samenleving is een andere dan die van Nederland anno 1997. In het beleid rondom abortus en euthanasie wordt zichtbaar dat de absolute waarde van het leven ondergeschikt wordt gemaakt aan een subjectieve beoordeling van de menswaardigheid van het leven. De waarde van het leven wordt bezien op basis van de vraag of dit concrete leven onder deze concrete omstandigheden de moeite waard is. Het uiteindelijke oordeel hieromtrent werd in het euthanasie-debat aanvankelijk bij de persoon zelf gelegd. Ieder mens zou zelf moeten kunnen beschikken over zijn eigen leven.

In toenemende mate wordt dit oordeel ook aan anderen overgelaten. Het principieel onvervreemdbare recht op leven wordt echter teniet gedaan als een ander dit recht naar zich toetrekt.

Bij abortus is dat al het geval, omdat de ongeboren vrucht niet zelf tot een dergelijk oordeel in staat is. Daarom oordelen anderen over de toekomstige kwaliteit van een leven. Abortus wordt zo gerechtvaardigd omdat het toekomstige kind 'geen leven' zou hebben als het een handicap heeft of door ouders ongewenst is.

Door het loslaten van ieders onvervreemdbare recht op leven, heeft de samenleving geen bakens verzet, maar bakens laten zinken. Daarmee wordt ze stuurloos.

Natuurlijk heeft dat gevolgen voor de vorming van jongeren. Zij worden volwassen in een samenleving waarvan het hart is aangetast. Het hart herstelt zich pas wanneer de consensus ontstaat dat ieder mensenleven de moeite waard is en iedere mens een onvervreemdbaar recht op leven heeft. Alleen wanneer wij - in het gezin, in het onderwijs en in de vormgeving van een menswaardige samenleving - deze waarde weten over te dragen aan een jonge generatie, kan de huidige samenleving groeien naar een 'cultuur van het leven'.

Voor deze opgave staan we allemaal, ieder vanuit een eigen verantwoordelijkheid. Het is te hopen dat politiek Den Haag ook op dit terrein de kerk alsnog als een bondgenoot wil begroeten.

Kardinaal A. Simonis is aartsbisschop van Utrecht en voorzitter van de Nederlandse Bisschoppenconferentie.

Meer over