Bidden, werken en geen Lingodichtbij (3)

WAT VERLANGEN WE IN ONZE VRIJE TIJD? GRENZEN VERLEGGEN OF HELEMAAL NIKS? DEZE WEEK: IN HET KLOOSTER. DOOR GERDY VAN DER STAP..

Nooit geweten dat slippers zo’n lawaai maken. Flip-flop flip-flop galmt het door de doodstille kloostergang. Ik ben laat. In de eetkamer zit iedereen al aan tafel voor het avondmaal. Geen van de elf vrouwen zegt iets als ik plaatsneem. Zwijgend wordt me de broodschaal voorgehouden.

De stilte voelt ongemakkelijk, maar ik ben pas net gearriveerd. Het zal wel wennen. Iemand schuift me de boter toe. Daarna krijg ik het beleg aangereikt, terwijl mijn kopje thee wordt ingeschonken. Ik bedank mijn tafelgenoten met een glimlach.

Al snel begrijp ik dat deze gedragsregels aan tafel niet à l’improviste zijn. In mijn kamer ligt op mijn bureautje ‘De Regel van Sint-Benedictus’. De ‘vader van het westerse monnikendom’ Benedictus van Nursia (480-550) schreef een soort etiquette voor het dagelijks leven in zijn kloosters: ‘Wat men bij het eten en drinken nodig heeft, geven broeders elkaar aan, zodat niemand ergens om hoeft te vragen.’

In de Onze Lieve Vrouwe abdij in Oosterhout leven de Benedictinessen nog steeds naar de Regel. Benedictus kon zich geen klooster zonder gastenverblijf voorstellen, vandaar dat ik daar nu in een van de twaalf kamers logeer.

De kerkklok luidt kwart over acht, tijd voor de completen, de dagsluiting. De zusters komen via de zij-ingang de kerk binnen lopen, doelbewust en geruisloos (zij dragen geen flipflops). Ze zien er statig uit in het zwarte habijt. Drie zusters, de scola, heffen hun eenstemmige voorzang aan. Het klinkt mooi en helder in de sobere kerk. Psalm 4 klinkt toepasselijk: ‘Vredig vind ik de rust en de slaap; Gij Jahwe, gij alleen doet mij wonen beveiligd.’

Vredig en veilig is het; deze ommuurde abdij die de wereld voor de zusters is, is een slotklooster. Dit betekent dat de monialen, zoals nonnen liever worden genoemd, geen verkeer met de buitenwereld hebben. Ook niet met de gasten, al zien we elkaar wel in de kerk. En in de kloostertuin, vanuit de verte.

Alleen zuster Hildegard, de gastenzuster, komt even kijken hoe we het maken. Er zijn maar enkele gasten in de zitkamer, de anderen zijn in de tuin of op hun kamer, zoals de twee zusters van een andere orde, die hier in retraite zijn. De rest van de gasten is jonger, van 35 tot 50 jaar. Een aantal is opvallend kek gekleed.

‘Mensen hebben allerlei redenen om hier tot bezinning te komen’, vertelt zuster Hildegard. ‘Ze hebben een burn-out, zielenpijn, of zitten in een rouwproces. We vragen de gasten dan ook om niet bij elkaar te klagen: ieder heeft genoeg. Daarom is de stilte belangrijk. Om innerlijke kracht op te doen en gesterkt verder te gaan.’

Ik geef me over aan de cadans van het Benedictijnse ora et labora, bidden en werken. De dag begint om kwart over zes met de vigilie, de nachtwake, waar we ons wakker zingen. Gelegenheid om weer op de kerkbank in te dutten is er niet, want met regelmaat staan we op. Ik volg de zusters die in de koorbanken staan. Al zingend buigen ze onverhoeds diep voorover. Vreemde aanblik: de rij zusters die in een hoek van 90 graden ombuigt. Op zoek naar een contactlens, zo ziet het eruit. De buiging hoort bij de lofprijzing aan het einde van alle psalmen: ‘Eer zij de heerlijkheid. Gods vader, zoon en heilige geest.’

Om half acht luidt de klok voor de lauden, het tweede koorgebed. Zachtjes zing ik mee. Dan ontbijten we. Als de twaalf apostelen zitten we rond tafel en geven het brood door. Wat een zaligheid niet te hoeven praten. Prietpraat, wat mis je er aan? Om met Benedictus te spreken: ‘Bij een veelheid van woorden, ontkomt men niet aan de zonde.’ Een lachebek was hij niet. ‘En moppen vertellen, nutteloos geklets of grappenmakerij, dat willen wij voorgoed en overal uitgebannen zien.’

Bij de eucharistieviering dragen de zusters een kovel, een gewaad waarvan de wijde mouwen vleugels lijken als de zusters in gebed de armen heffen. Aan de rij geheven handen zie ik bij iedere zuster een gouden trouwring.

Tijdens de koffie om half elf mogen we een halfuurtje praten. Het is goed die tijd ook te baat nemen, wordt gezegd. Even spreken om weer te kunnen zwijgen. Er is een warm middagmaal, en om twee uur een koorgebed. Thee en vervolgens om vijf uur vespers. Na het avondeten, bij de completen besef ik dat ik hier nu een etmaal ben, maar het zou ook een week kunnen zijn. Ik ben losgezongen van de tijd.

Wat dringt tot de kloostermuren door? Wordt er journaal gekeken?

‘Dat duurt wel twintig minuten. Dat is érg lang. Nee, het past niet in onze dagindeling om televisie te kijken’, antwoordt zuster Hildegard. Ora et labora, denk ik, en geen Lingo.

‘Bij bijzondere gelegenheden kijken we wel, zoals naar het huwelijk van Willem-Alexander. Tijdens de avondmaaltijd luisteren we naar het nieuws op de radio en in de bibliotheek ligt een krant. Maar we moeten oppassen voor al te indringende beelden en berichten. We willen de geest schoon houden, leeg, voor de stem van God.’

Het is een ‘leven in afzondering’, ook geestelijk. Buiten de maatschappij, maar met elkaar. Ik zie de gouden ringen weer; de slotzusters zijn eigenlijk ook met elkaar ‘getrouwd’. Maar die gedachte moet toch angstaanjagend zijn? Dat je bij het intreden weet dat je nooit meer weggaat, en hier de rest van je leven zult slijten.

‘In de zes jaar vóór je de eeuwige gelofte aflegt, zijn we daar allemaal wel eens bang voor geweest’, zegt zuster Hildegard.

‘Het leven in een slotklooster is niet voor iedereen, maar je weet het als het je past. Het is als verliefdheid, je voelt het.’ Ze glimlacht: ‘Je moet echt op zoek zijn naar God.’

Waar ik naar op zoek ben, weet ik niet, maar één ding is zeker; morgenochtend ga ik gesterkt weer verder.

Meer over