Bezuinigingen

Een man heeft een gesprek met de baas van de fabriek. Hij is ruim op tijd. Hij draagt een wit overhemd, een stropdas en een donkere broek....

Hij heeft hard gewerkt gedurende drie jaren. Hij heeft alles gedaan wat er van hem verlangd werd. Elke ochtend om vijf uur was hij in de fabriek, nooit was hij een minuut te laat, nooit was hij ziek. Zijn taak was om een vrachtwagen vol te laden met goederen. Elke ochtend om vijf uur stond de grote vrachtwagen klaar met de klep wagenwijd open, zodat hij met zijn heftruck pallets met goederen naar binnen kon rijden.

Daarna reed hij, naast de chauffeur van de vrachtwagen, mee naar de plaats van bestemming en laadde de goederen uit met de hand. Dat was zwaar werk. Tienduizend dozen moesten op nieuwe pallets gestapeld worden en de vrachtwagen uitgereden met een electrische handtruck. Als hij daarmee klaar was, om vijf uur in de middag, kwam de chauffeur hem weer ophalen. Zo ging het elke dag. Hij deed zijn vermoeiende werk goed. Er was nooit een klacht.

Hij had de baas van de fabriek nog nooit gezien. Hij wilde een goede indruk maken op hem. Hij kocht een boek met tips. Hij las: de eerste indruk is de beste. Zorg dat je op tijd komt. Zorg dat je geschoren en gewassen en gekamd bent. Snij je niet bij het scheren. Zorg dat je handen mooi schoon zijn. Steek je handen niet onder tafel. Drink geen alcohol de avond tevoren. Draag een wit overhemd met een stropdas. Draag een donkere broek. Poets je schoenen.

Hij las: als de baas eraan komt sta je op en geef je hem een hand. Je zegt: 'Dag meneer, hoe maakt u het.' Je steekt niet als eerste een sigaret op. Je drinkt geen bier maar koffie. Je mag alleen bier nemen als de baas bier neemt. Je mag alleen een sigaret opsteken als de baas een sigaret opsteekt. Je houdt je handen boven tafel. Je moet niet aan je neus of oren friemelen. Je moet rustig ademhalen en af en toe met je ogen knipperen (dat stelt de baas gerust). Laat de baas beginnen met praten. Val de baas nooit in de rede. Maak af en toe een grapje. Oefen voor de spiegel.

Hij leerde uit zijn hoofd en oefende voor de spiegel. Het ging goed. Hij was vol vertrouwen over zijn toekomst in de fabriek terwijl hij zat te wachten op de afgesproken plaats. Toen de baas eraan kwam deed hij zoals hij geleerd en geoefend had.

Hij stond op en zei: 'Dag meneer, hoe maakt u het.'

'Goed, goed,' zei de baas, 'ga zitten.'

Hij ging zitten met zijn handen boven tafel. Hij nam geen bier.

'Ik heb een nare mededeling voor je,' zei de baas.

Hij stak geen sigaret op. Hij viel de baas niet in de rede. Hij friemelde niet aan zijn oren. Hij knipperde geruststellend met zijn ogen.

'Ik kan je hier niet langer gebruiken.'

Peter Bekkers

Meer over