Bezige Bij betrekt alle lezers bij jubileumfeest

De Bezige Bij bestaat vijftig jaar en dat zullen we weten. Van 9 tot 11 december vindt op en om het Leidseplein in Amsterdam - in de Stadsschouwburg, de Melkweg, Paradiso, Barbizon, Americain en de Naussaukerk - een manifestatie plaats die niet uitsluitend voor ingewijden is bestemd, maar iedereen in...

WILLEM KUIPERS

Net als de manifestatie heet dit boekje Het vrije woord, een titel die directeur Albert Voster de gelegenheid biedt even stil te staan bij het ontstaan van De Bezige Bij, die op 12 december 1944, tijdens de hongerwinter, werd opgericht door de 'Utrechtse corpsstudent' Geert Lubberhuizen. In 1943 gaf Lubberhuizen het gedicht 'De Achttien Dooden' van Jan Campert als rijmprent uit om met de opbrengst daarvan ondergedoken joodse kinderen te helpen. De verkoop was zo'n succes dat ook andere illegale uitgaven mogelijk werden. Daaruit ontstond De Bezige Bij.

'Een mirakel', noemt Voster wat Lubberhuizen in die tijd bewerkstelligde en dat was het zeker. Maar minstens zo bijzonder is de rol van Lubberhuizen in de naoorlogse tijd geweest, toen - zeker in de jaren zeventig en tachtig - steeds meer uitgeverijen onder druk kwamen te staan, verdwenen of opgingen in een groter geheel en Lubberhuizen als primus inter pares zijn bedrijf onafhankelijk wist te houden. Het wachten is op de biografie van Lubberhuizen, die voor dit najaar is aangekondigd.

Zowel in het voorwoord van Voster als in een beschouwing van H. J. A. Hofland, de voorzitter van het bestuur van De Bezige Bij, valt te beluisteren hoe trots men is dat de uitgeverij zelfstandig is gebleven. Dat was na de dood van Geert Lubberhuizen als drijvende kracht, en kort daarop het overlijden van zijn opvolger Johannes Witteman niet eenvoudig. Juist in die tijd veranderden de omstandigheden in het uitgeversbedrijf sterk en leken fusies dè oplossing voor alle problemen. Menigmaal zal toen ook bij De Bezige Bij getwijfeld zijn aan het eigenstandig voortbestaan.

Nu kan Hofland constateren dat de coöperatie-vorm van de uitgeverij, die een andere visie op rendement met zich meebrengt, een belangrijke rol heeft gespeeld in deze ontwikkeling, die hij vergelijkt met wat er in de krantewereld is gebeurd, waar de 'kwaliteitspers' zich evenmin door financiële concentraties uit het veld heeft laten slaan. Hij schrijft: 'Waar rendement een onmisbare maar ondergeschikte factor in het geheel is, ontstaat een toestand vergelijkbaar met die waarin de 'kwaliteitspers' zich handhaaft. Daarvoor zijn constructies te bedenken waarin de eisen van het rendement worden teruggebracht tot het nuttig minimum: datgene waardoor het voortbestaan van de onderneming wordt beveiligd zonder dat derden daarvan profiteren. Zoals Le Monde het eigendom is van zijn redactie, hoort een coöperatie als De Bezige Bij aan de schrijvers: bolwerken tegen de moloch van de literaire industrie die literatuur leest als cijfers van het rendement.'

Dat klinkt heel zelfbewust; het is de toon die past bij de dynamiek die deze kleine uitgeverij de laatste jaren weer is gaan uitstralen en die zich weerspiegelt in de kwaliteit van de boeken die worden uitgegeven. Dat zijn er, zeker in dit jubileum-jaar, heel veel. Ook deze week spaart De Bij de lezer niet. Er verschenen maar liefst dertien titels: Malle Hugo, vermaningen en beschouwingen van Willem Frederik Hermans, een bundeling van zijn meest recente stukken (¿ 39,50, ¿ 54,50 gebonden); Het besluit van Mai, een 'jubileumnovelle' van Anil Ramdas, die vertelt over een generatiekloof tussen een Hindoestaanse moeder en haar dochter in Nederland (¿ 17,50); twee nieuwe delen in de prachtige Nabokov-reeks: Doorzichtige dingen (¿ 36,90) en Glorie (¿ 47,90); Meer dan alle modermismen van Kees van Kooten (¿ 29,50); een nieuwe set gebonden delen Maarten Toonder, voor de speciale Bommelprijs van ¿ 19,50; een bundel opstellen Over Jan Fabre, Mestkever van de verbeelding, met bijdragen van Anna Tilroe, Marijn van der Jagt, Stefan Hertmans en anderen (¿ 26,50) en een bundel verhalen van Sybren Polet, Het gepijnigde haar (¿ 32,50).

Ik bedoel maar, men zit daar in de Van Miereveldstraat niet stil, ondanks alle voorbereidingen van de festiviteiten. En dan heb ik het meest opvallende boek nog niet eens genoemd. Dat is Renaissance van Jules Deelder. Het zijn zijn gedichten van 1944 (!) tot 1994, te beginnen met het prachtige, sterk op Allen Ginsberg geïnspireerde Cloud 9 uit 1966 en eindigend met de cyclus 'Renaissance' uit 1994. Wat voor dichter Deelder is, romantisch, heen en weer zwalkend tussen zijn hang naar het Amerika van On the road en zijn afkeer van de Duitsers, die zijn Rotterdam vernielden, valt nu voor het eerst zeshonderd bladzijden lang na te gaan. Wie dit oeuvre binnentreedt, verveelt zich zelden, en verbaast zich over de soepele manier waarop Deelder in de loop van de jaren stilistisch evolueerde (¿ 42,50, ¿ 50,- gebonden). Tegelijk verscheen van hem als 'jubileumpocket' Gemengde gevoelens (¿ 15,-).

De echte Renaissance, die vanuit Italië haar invloed in heel Europa deed gelden en in Frankrijk haar grootste bloei bereikte in het begin van de zestiende eeuw, komt aan bod in een prachtige bundel die bij Athenaeum-Polak & Van Gennep het licht zag: Délie, beeld van de allerhoogste deugd, van Maurice Scève. Rein Bloem, die in 1978 in De Gids al aandacht vroeg voor deze 'veruit de grootste dichter van de zestiende eeuw', gaat in een voorwoord op de vermeende moeilijkheid van deze poëzie in en verwijst ter weerlegging van deze 'mythe' naar de vertaling van Robert de Does, die erin slaagde honderd van de door Scève gewrochte dizijnen (tienregelige gedichten) perfect te vertalen. In zijn nawoord gaat De Does in op leven en werk van Scève, die lang in de schaduw van de grote Plèiade-dichters bleef. Pas door toedoen van Valery Larbaud, de vriend van E. du Perron, ontstond in de twintigste eeuw weer belangstelling voor deze dichter (¿ 59,90).

Er is meer poëzie. Het Vlaamse Poëziecentrum publiceerde in samenwerking met De Bezige Bij een bundel, die honderd jaar 'Nederlandse liefdespoëzie uit Noord en Zuid' omvat, samengesteld door Eddy van Vliet, onder de titel Geen dag zonder liefde (¿ 39,50). Bij Perdu verschenen, uiterst verzorgd vormgegeven, Een kussen van hout van Jan Kostwinder (¿ 24,50) en De gezel van Marc Kregting (¿ 19,90).

Je kunt zulke poëzie mooi vinden, interessant, of wat dan ook, maar je kunt er niet de spot mee drijven. Daarvoor moet het vers voldoende bestorven zijn. Gerrit Komrij heeft bewezen hoe je met tal van beroemde gedichten de spot kunt drijven. J. A. .Dautzenberg en Rody Chamuleau hebben in Ik ben geboren in Apeldoorn veel meer voorbeelden van literaire parodieën bijeengebracht, een dikke bundel van bijna 400 bladzijden, waarin met veel klassieke gedichten de draak wordt gestoken (maar er zijn ook prozaïsche parodieën). Het boek verscheen bij Nijgh & Van Ditmar (¿ 49,90).

In de bundel van Kees Verheul, Het mooiste van alle dingen (Querido, ¿ 39,90), gaat het vaak over poëzie, maar meer nog over Rome, wat in de ondertitel, Romeinse essays, tot uitdrukking wordt gebracht. Maar essays zijn het eigenlijk niet, die Verheul in dit boek heeft opgenomen. Het zijn meer nogal autobiografische verhalen, waarin zijn hoedanigheden van vertaler, minnaar van de letteren en schrijver (van Een jongen met vier benen bijvoorbeeld uit 1982 over zijn eerste homoerotische ervaringen in zijn geboorteplaats Hengelo) worden gecombineerd. Deze 'essays' sluiten mooi aan bij de Romeinse verhalen van Alberto Moravia, die door Frédérique van der Velde voor de Wereldbibliotheek in hun geheel zijn vertaald (¿ 49,50). Anders dan in zijn romans, brengt Moravia de lezer in deze vaak zeer beknopte vertellingen in contact met allerlei eenvoudige lieden, schlemielen, scharrelaars en oplichters die aan de zelfkant van de stad door honger, armoe en andere nooddruft gedreven de normale regels van het sociale leven met voeten treden.

In de sector vertaalde literatuur is er ook nu weer zoveel, dat ik me beperk tot een paar boeken, die me de moeite waard lijken. Drie titels daarvan verschenen bij Van Gennep: Schrijven van Marguerite Duras (¿ 25,40), Zoals de dingen gaan van de Canadese auteur Guy Vanderhaeghe, die ik me herinnerde van het niet onverdienstelijke Tegen de morgen in slaap gevallen (¿ 38,50) en Paradijs van Abdulrazak Gurnah, een van de boeken die dit jaar voor de Booker Prize werden genomineerd (¿ 39,50). Gurnah werd in 1948 in Zanzibar (Tanzania) geboren en geeft les aan de universiteit van Kent. In Paradijs vertelt hij het verhaal van Yussuf, die als twaalf-jarige bij wijze van onderpand voor de schulden van zijn vader, aan een rijke oom wordt meegegeven.

Ook Georges-Arthur Goldschmidt, die hier bekend werd door zijn roman De afzondering, verplaatst zich in een jonger persoon, zeg maar een jonger ik, want de ervaringen van zijn hoofdpersoon in Het onderbroken woud rijmen met wat Goldschmidt zelf ervoer, toen hij in de oorlog vanuit Duitsland naar Frankrijk ging en ondergedoken in een kindertehuis de oorlog overleefde (De Geus, ¿ 34,90). Joéo Ubaldo Ribeiro zagen we hier op de tv naar aanleiding van de vertaling van zijn epos Brazilië, Brazilië. Bij Anthos verscheen nu van hem, na De glimlach van de hagedis, het boek waarmee hij in 1971 in zijn land bekend werd: Sergeant Getúlio, een boek dat in 1983 verfilmd werd. Het verhaal is een lange monoloog van sergeant Getúlio, die een verschrikkelijke tocht maakt door de sertúo, het woeste, steppe-achtige gebied in Noord-oost Brazilië (¿ 34,90). En dat doet heel erg denken aan het ongeëvenaarde meesterwerk van Joëo Guimarëes Rosa Diepe wildernis: de wegen.

Twee Vlaamse boeken tot besluit. Manu Claeys en Jan Denolf verzamelden verhalen van 'Vlaams talent' in Jonge sla (ontleend aan het bekende gedicht van Rutger Kopland). Het zijn op een enkele uitzondering na hier volledig onbekende auteurs, die bovendien in sommige gevallen in deze bundel voor het eerst in druk verschijnen. Maar het is een boeiende selectie, die misschien de pretentie van de samenstellers waarmaakt: dat er in Vlaanderen veel beter geschreven wordt dan men elders afgaande op de bekende namen denkt (Kritak/ Meulenhoff, ¿ 34,90).

Daniël Robberechts was de voorman van een kleine progressieve schrijversbent in Vlaanderen (met in Nederland aanhangers als Cyrille Offermans en Jacq. Vogelaar), die de literatuur wilde bevrijden van alle beperkingen die haar worden opgelegd. Hij wilde boeken waarin 'alles' kon. Uitgeverijen zaten daar niet op te wachten en daarom schreef Robberechts op den duur alleen nog maar voor zichzelf en een honderdtal vrienden die zijn tijdSCHRIFT per post thuisbezorgd kregen. Wàt hij schreef, een soort lopende kroniek van gebeurtenissen en ervaringen, is nu in zijn Nagelaten Werk (duizend pagina's) door Kritak gepubliceerd (tot 1 januari 1990 fr. Daarna 2500 fr.). De titel ervan kan ik niet schrijven; die luidt TOT, met een X door de O. Volgens Paul Claes, die een nawoord toevoegt, is dat misschien een samentrekking van 'totaal' en 'tekst'. 'Het is tegelijk paradoxaal en tragisch', schrijft Claes, 'dat een tekst die naar alomvattendheid streefde onvoltooid moest blijven.' In 1992 maakte Robberechts een einde aan zijn leven.

Meer over