Bewijs

Zo ging het en ik was weer de laatste passagier van de trein...

Ik rook niet, maar soms heb ik opeens trek in een sigaretje!

De trein was bijna leeg, een man rookte shag, ik ging tegenover hem zitten en wachtte lang of hij misschien zou zeggen: 'sigaretje?', maar hij zei het niet. Mijn geduld raakte op: 'Mag ik misschien een sjekkie draaien?'

'Zo hoort het,' zei hij, 'netjes vragen en dan krijg je het. Als iedereen zich netjes gedraagt, kunnen we goed samenleven. Je weet het, het land is vol, maar we kunnen nog een lange tijd samen mee. Volgens mij ben jij een prima vent. Netjes vragen en ik geef het je. Zo simpel is dat.'

Hij stonk naar bier, veel bier.

'Ik zie bloempjes, tas, wat is je beroep, als ik het vragen mag?'

'Ik schrijf!'

'Schrijven? Wat schrijf je?'

'Boeken.'

'Schrijver? Echt waar? Kennen mensen jou?'

'Ik denk het wel!'

Hij keek verbaasd, kwam overeind en riep: 'Hé mensen! Een schrijver onder ons!' Gelukkig waren er niet zo veel mensen in de coupé. Vijf verdwaalde zielen zoals ik. Een dronken man. Een Surinaamse, of Antilliaanse vrouw, een man met een ambtenarentas, en een illegaal die een beetje Nederlands sprak. Ook een student uit Groningen. Zo ging het en we kwamen naast elkaar zitten.

'Jongens, hij is schrijver, zegt ie. Als dat zo is, is het voor het eerst in mijn leven dat ik naast een schrijver zit. En het is de eerste keer dat een schrijver van mij een sjekkie draait.'

Hij kreeg bijval, de man die een tas droeg, kende mij: 'Het klopt. Ik ken hem van de Volkskrant.'

'Echt waar?' zei hij en hij kwam overeind, drukte zijn shag in mijn hand: 'Belangrijk moment. Ontroerend. Echt waar. Nooit een boek gelezen, mijn vrouw wel. Ik moet haar bellen.' Hij belde: 'Schat, jij leest veel. Ik zit naast een schrijver. Je moet hem zeker kennen. Wat was je naam ook al weer?' Ik zei mijn naam. 'Nooit van gehoord? Maar er is iemand hier die hem kent. De Volkskrant dan? Nee, die lees je niet.'

Hij zuchtte, maar dat gaf niets: 'Nu we hier samen zitten, en we ook zo goed zitten, kunnen we ook samenleven. Kijk de trein is leeg, helemaal niet vol. Mooi moment. Heb je misschien een visitekaartje, een gedrukt papier waarop je naam staat, een foldertje, een verhaaltje, een bewijs?'

Nee, ik had niets bij me.

'Wat draag je dan in die zware tas?' zei hij teleurgesteld.

'Goede vraag. Sorry, maar ik. . . goed.'

Ik had het niet in de gaten. De trein was gestopt, ik moest overstappen.

'Zet dan maar iets in de krant. Maandag ga ik voor het eerst in mijn leven een krant kopen.'

Ik doe het, zei ik en ik liep snel naar buiten. De deur van de volgende trein die ik moest nemen, ging voor mijn neus dicht. En er reed geen andere trein meer. Dat hoefde ook niet. Op zoek naar een hotelletje wandelde ik het station uit.

Die nacht droomde ik dat Arafat viel. Zijn lijk lag languit voor me. En zijn Palestijnse doek was los op de grond gevallen. Ik krijg niet voor niets trek in een sigaretje. Niet voor niets loopt de trein weg en het is geen toeval dat ik in een onbekend bed terechtkom. Alles heeft met alles te maken. Als protest tegen Arafats dood, wil ik de Palestijnse vlag van mevrouw Duisenberg hoog op mijn dak hebben.

Meer over