Bewijs is wankel in Lockerbie-proces

Kamp Zeist is klaar voor het Lockerbie-proces, dat woensdag begint. Dat de aanklagers overtuigend bewijs zullen leveren van de schuld van de twee Libiërs is lang niet zeker....

Er was een bom, er was een vliegtuig, en er waren 270 doden: 259 in de lucht, elf op de grond in het Schotse dorp Lockerbie. Veel méér onbetwiste feiten dan dat zijn er niet in de Lockerbie-zaak. Dus of Abdel Basset al-Megrahi (48) en Al-Amin Khalifa Fhimah (44) uiteindelijk door de Schotse rechtbank zullen worden veroordeeld, is maar helemaal de vraag.

En zelfs áls dat gebeurt, zal wellicht nooit duidelijk worden wie de opdrachtgever was van de bomaanslag, 21 december 1988 op PanAm-vlucht 103 van Londen naar New York. De Libische leider Kadhafi? De Syrische regering? De Iraanse ayatollah's? De Amerikaanse CIA?

Allen figureren in de vele, soms bizarre complottheorieën die de afgelopen jaren de ronde hebben gedaan en zijn verwerkt tot boeken, films, krantenartikelen en - in één geval - een officiële aanklacht door de Schotse Lord Advocate bij de rechtbank die zitting houdt op de voormalige legerbasis Soesterberg.

Volgens die officiële versie hebben al-Megrahi en Fhimah, mogelijk samen met anderen, een semtex-bom aangebracht in een Toshiba-recorder en die verstopt in een koffer. In Malta, waar beiden werkten voor de Libische luchtvaartmaatschappij, zou de koffer aan boord zijn gegaan van een vlucht naar Frankfurt. Daar volgde een transit naar Londen, waar de koffer ongecheckt op het toestel naar New York werd gezet. Volgens de Amerikanen en Britten (maar dat staat niet in de aanklacht) ging het om een vergelding van Kadhafi voor Amerikaanse bombardementen op Libië in 1986.

Ogenblikkelijk na de aanslag op het PanAm-toestel werd echter een andere wraaktheorie geopperd, en die lijkt nog steeds minstens zo plausibel. Op 3 juli 1988 had de Amerikaanse kruiser Vincennes voor de kust van Iran een Iraans vliegtuig met 290 passagiers uit de lucht geschoten. De ayatollah's zwoeren wraak.

In de eerste drie jaar richten de Amerikaanse en Britse speurders al hun aandacht op Iran, Syrië en een Palestijnse terreurgroep die het vuile werk zou hebben gedaan. Maar eind 1991 krijgt het onderzoek een merkwaardige wending. Opeens wordt het Libische regime als enige dader aangewezen. Tegen al-Megrahi en Fhimah wordt een arrestatiebevel uitgevaardigd.

Sceptici verklaren de wending uit de behoeften van de Amerikaanse internationale politiek. In de Golfoorlog tegen Irak steunen Syrië en Iran het westerse optreden; daarbij past geen vervolging wegens de Lockerbie-bom.

Wél uitermate geschikt als schuldige is de notoire 'dolle hond' Kadhafi. Tegen hem richt de woede zich voortaan, en als hij zijn twee onderdanen niet uitlevert, stelt de Veiligheidsraad zelfs sancties tegen Libië in.

Maar het bewijs voor de Libië-theorie lijkt te rusten op een gering aantal personen en voorwerpen.

Troef één is een piepklein stukje geleidingsmateriaal dat twee jaar na dato werd gevonden in een weiland. Onderdeel van een Zwitsers ontstekingsmechanisme dat alleen aan Libië zou zijn verkocht.

Troef twee is getuige Abdul Majed Jaeka, een Libische overloper die getuige zou zijn geweest van diverse voorbereidende activiteiten van de verdachten.

Troef drie is de Maltese winkelier bij wie al-Megrahi de kleren zou hebben gekocht die ter camouflage in de koffer waren gestopt.

Maar op de geloofwaardigheid van alle drie troeven is inmiddels heel wat af te dingen. En kroongetuige Jaeka schijnt recentelijk tegen zijn Schotse ondervragers veel minder stellig te zijn geweest dan de FBI (bij wie hij is ondergedoken) jarenlang had beweerd.

De verdediging zal tegen de Libië-connectie zeker de Syrië/Iran-connectie in stelling brengen. Dan zal in herinnering worden gebracht dat westerse inlichtingendiensten in de maanden na juli 1988 lucht kregen van Iraans/Syrische wraakacties tegen Amerikaanse passagiersvliegtuigen. Die zouden uitgevoerd moeten worden door de Palestijnse terreurgroep PFLP-GC van Ahmed Jibril. Deze had ruzie gekregen met Kadhafi en had zich na het neerschieten van de Iraanse Airbus in Teheran gemeld als (vorstelijk beloonde) wraakpleger.

In oktober arresteerde de Duitse politie een groep van zeventien leden van de PFLP-GC, in het bezit van enkele Toshiba-recorders met semtex-bommen. In de woning van de bommenmaker van de groep, Mohammed Abu Talb, vond de Zweedse politie naderhand een kalender waarop de datum 21 december 1988 was omcirkeld. Pikant detail: toen genoemde Maltese winkelier een foto van Talb onder ogen kreeg, beweerde hij dat dit, en niet al-Megrahi, de klant was die de kleren had gekocht waarvan de flarden later in de Schotse wei lagen.

Bovenstaande opsomming van feiten en vermeende feiten is uiteraard lang niet uitputtend. Er is het verhaal van de Amerikaanse cocaïnelijn tussen Frankfurt en New York, een 'gecontroleerde doorvoer' van Amerikaanse drugsbestrijders die door de Palestijnen zou zijn geïnfiltreerd om de bom ongecheckt aan boord te krijgen. Er is het feit dat een paar dagen na het aanklagen van de twee Libiërs de laatste Amerikaanse gijzelaars in Beiroet werden vrijgelaten. Er is het merkwaardige gegeven dat de Zuid-Afrikaanse minister Pik Botha een uur van tevoren te horen kreeg dat hij beter niet aan boord van het PanAm-toestel kon gaan.

Er is nog veel meer.

Welke van alle geruchten, feiten, beweringen en intriges de rechtszaal in Kamp Zeist zullen bereiken, zal blijken vanaf woensdag. De aanklagers hebben meer dan duizend getuigen opgeroepen, de verdedigers 124.

Als die allemaal zijn ondervraagd zullen de rechters uitspraak doen: schuldig, niet schuldig, of niet bewezen. In het eerste geval krijgen al-Megrahi en Fhimah levenslang. In de laatste twee gevallen gaan ze voorgoed vrijuit. De aanklager heeft dan geen mogelijkheid van beroep.

Meer over