Bescherming bedreigde soorten in dip na Doha

De donderdag afgesloten conferentie van Cites – de VN Conventie voor de Internationale Handel in Bedreigde Soorten – had zo mooi kunnen zijn. Een revanche voor de mislukte klimaattop van Kopenhagen, waarmee de internationale gemeenschap zou tonen wel degelijk milieuafspraken te kunnen maken, in dit geval over de handel in bedreigde diersoorten.

Van onze verslaggever Ben van Raaij

Dit zou in Doha (Qatar) – in het Jaar van de Biodiversiteit – voor het eerst gebeuren in de lastigste categorie: een aantal commerciële vissoorten die nog altijd bejaagd worden alsof de zeeën onuitputtelijk zijn en daarom nooit als bedreigde soorten worden behandeld.

Het liep anders, tot ontsteltenis van de in Doha massaal aanwezige natuurorganisaties. Eerst werd een langdurig voorbereid voorstel voor een internationaal handelsverbod op de zwaar overbeviste Atlantische blauwvintonijn, leverancier van de beste Japanse sushi, met grote meerderheid verworpen. Vervolgens haalde ook een beperkte regulering van de handel in een aantal overbeviste haaiensoorten het niet. Voor de hamerhaai en de oceanische witpunthaai (populair voor de Chinese haaienvinnensoep) werd regulering direct afgewezen. Voor de haringhaai werd een uitzondering gemaakt, maar die werd donderdag, op de laatste vergaderdag, weer ingetrokken.

Economische belangen op korte termijn prevaleerden in Doha boven de overleving van soorten. Ook de ijsbeer, de tijger en twee koraalsoorten kregen geen bescherming. Zoals een Amerikaanse natuurbeschermster zei: ‘Cites was altijd een conventie die de handel beperkt vanwege de natuurbescherming. Nu beperkt het de natuurbescherming vanwege de handel.’

Voor de mariene soorten betekenen de besluiten in Doha dat de verantwoordelijkheid voor hun behoud weer wordt overgelaten aan regionale visserijautoriteiten als ICCAT, de internationale commissie voor het behoud van de Atlantische blauwvintonijn. En daarmee aan de landen die deze clubs bestieren, en die de vis door veel te hoge vangstquota en slecht toezicht naar de ondergang dreven.

De grote winnaars van Doha zijn de landen die tegen alle handelsbeperkingen zijn. Landen die zelf vissen, zoals IJsland en Libië, landen die vis importeren, zoals Japan, en landen die tegen elke inmenging zijn, zoals China. Zij hebben door een agressieve, slimme lobby met steun van de derde wereldlanden alles weggestemd en kunnen haai en tonijn blijven vangen en eten. Zolang het duurt.

De verliezers zijn de westerse landen. De VS en de EU hadden gehoopt afspraken te maken over overbevissing. Helaas vergaten ze zich van voldoende steun te verzekeren. De EU was bovendien intern verdeeld: zij kwam met een compromisvoorstel over de blauwvin omdat tonijnlanden als Spanje, Italië en Frankrijk dwars lagen.

Kind van de rekening is de vis. Tonijn en haai zijn met de huidige vistechnieken kansloos. Door gebrek aan regels kan het zogeheten ‘illegale, ongecontroleerde en niet gemelde’ vissen doorgaan. Tot vreugde van de Italiaanse maffia en Japanse speculanten, die voorraden aanleggen, hopend op escalerende prijzen. Zo ging het eerder met kaviaar van de bijna uitgestorven belugasteur.

De conclusie van veel natuurbeschermers over ‘Doha’ was duidelijk: na de strijd tegen klimaatverandering zit ook de bescherming van biodiversiteit in een impasse. En dat met, in oktober, de Conventie over Biodiversiteit in – of all places – het Japanse Nagoya in zicht.

Met Cites alleen kom je er niet, waarschuwen intussen zeebiologen. Om de overbevissing te stoppen is een internationaal beheersverdrag voor de oceanen geboden. Alleen zijn multilaterale milieuafspraken niet meer in de mode.

Meer over