Bescheidenheid siert de wijzen

Wetenschappers moeten niet doen alsof zij, en zij alleen, de wijsheid in pacht hebben, maar ons leren relativeren, meent Marcel Hulspas..

Wat zou iedereen moeten weten over de wetenschap? Kunt u dat in één zin samenvatten?

Dat is de vraag die het online mag azine Spiked in het kader van het Einstein-jaar heeft voorgelegd aan tweehonderdvijftig wetenschappers (onder wie elf Nobelprijswinnaars), auteurs en wetenschapsjournalisten. De antwoorden die zijn binnengekomen, zijn heel divers, maar één ding maken ze in ieder geval duidelijk: bescheidenheid is in de wetenschap een schaars goed.

Een enkeling ergert zich aan de vraagstelling. Onze eigen Nobelprijswinnaar Gerard ' t Hooft bijvoorbeeld weigert te antwoorden want 'er zijn duizenden dingen die je van de wetenschap moet weten'. Anderen deden meer hun best. Zo vindt astrobioloog Paul Davies dat iedereen moet weten dat de wetenschap aantoont dat de werkelijkheid op een rationele manier gestructureerd is. En om die werkelijkheid te begrijpen, heb je de wetenschap nodig. Die overtuiging, dat de wetenschap ons unieke kennis verschaft over de werkelijkheid, veel beter dan bijvoorbeeld het gezond verstand of de religie, klinkt in de antwoorden regelmatig door, op vele verschillende manieren.

Lewis Wolpert, emeritus hoogleraar medische biologie aan het University College London, beschouwt de wetenschap als 'de beste manier om de wereld te begrijpen'. Fysicus Freeman Dyson erkent dat we op veel belangrijke vragen het antwoord nog niet weten, maar de wetenschap biedt ons 'a good way to find the answers'. Anderen roemen de wetenschap omdat ze als enige onderscheid weet te maken tussen feiten en mythen; ze biedt een taal voor de hele mensheid, ze geeft zicht op universele waarheden.

Voor gebrek aan bescheidenheid is ook wel enige reden. In de afgelopen eeuw hebben wetenschappers ziekten uitgebannen en voor een enorme technologische vooruitgang gezorgd.

Daarnaast hebben doorbraken in de natuurkunde, biochemie en biologie er voor gezorgd dat de moderne wetenschap in staat lijkt alle aspecten van de menselijke ervaring te verklaren op basis van een handvol natuurwetten. De kosmologie beschrijft het ontstaan van sterrenstelsels en sterren; de sterren zijn verantwoordelijk voor het ontstaan van de zwaardere elementen, waaruit weer organische moleculen en levensvormen zijn ontstaan. Het blinde toeval speelde hierbij een cruciale rol.

Ook de mens, zo houdt de wetenschap ons voor, is het resultaat van een onvoorspelbaar, doelloos proces, een curieuze samenloop van omstandigheden. Verscheidene deelnemers aan de Spiked-enquête, zoals psycholoog Susan Blackmore en astronoom Martin Rees, menen dat dát de belangrijkste les is die de wetenschap ons leert: wij zijn slechts onbeduidende materieklompjes in de oneindige kosmos. We stellen niets voor. Het lijkt een onontkoombare conclusie, een ontnuchterende les die iedereen zich ter harte zou moeten nemen. Bescheidenheid is een deugd, nietwaar? Maar in wezen bijt de wetenschappelijke slang hier in zijn eigen staart. De wijze woorden van Blackmore en Rees (en anderen) liggen immers reeds besloten in de manier waarop wetenschap tegenwoordig tot stand komt.

Ook dat wordt door veel deelnemers aan de enquête naar voren geschoven als het belangrijkste dat de wetenschap ons kan leren: de wetenschappelijke methode. De enige methode die zekerheid en betrouwbaarheid biedt. Probleem hierbij is dat 'de' wetenschappelijke methode niet bestaat. Elke wetenschap kent wat dat betreft zijn eigen regels. De enige overeenkomst is dat er altijd sprake is van een collectief controleproces. Wetenschappers zijn net als andere gewone stervelingen behept met feilen, vooroordelen en stiekeme verlangens, die doorklinken in hun publicaties. Ze sprokkelen bewijsmateriaal bijeen voor reeds lang gekoesterde overtuigingen en negeren, of kleineren, alles wat ze niet kunnen gebruiken. Dit alles wordt vervolgens opgeschreven in een stijl die distantie en onvermijdelijkheid uitstraalt. Dat is allemaal niet erg, want wetenschap is heel iets anders dan een optelsom van publicaties. Anderen lezen die publicaties en zijn in staat de ingeslopen fouten, vooroordelen en verlangens te herkennen en te verwijderen. Vaak blijft er niets over, soms blijft een enkel resultaat of een enkele gedachte overeind. Op die manier is in de loop der eeuwen het wetenschappelijke wereldbeeld ontstaan.

Het antwoord op de vraag wat 'goed' is en wat 'slecht', wat wetenschappelijk is en wat niet, is in de loop der eeuwen grondig veranderd. Tot ongeveer vier eeuwen geleden was het volstrekt aanvaardbaar aardse verschijnselen te verklaren aan de hand van de stand van de sterren. Tot voor drie eeuwen geleden mocht een natuurkundige voor het verklaren van astrologische invloeden, magneten en zaken als chemische reacties gebruik maken van immateriële, 'sympathieke' krachten tussen voorwerpen. Tot halverwege de negentiende eeuw mocht een wetenschapper gerust hardop zeggen dat alles geschapen was door een almachtige schepper. Nadien - en dat had te maken met de komst van de evolutieleer, maar vooral met de invloed van Duitse onderzoekers als Ernst Haeckel, Wilhelm Ostwald en Ernst Mach - werd een wetenschapper geacht atheïst te zijn, of in ieder geval God verre te houden van zijn werk.

Deze langzame 'onttovering' van de natuurwetenschap was vooral een emancipatieproces: de wetenschap sneed de banden door met de theologie en de religie. En eenmaal op eigen benen ontstond de droom van een alternatief, niet-religieus wereldbeeld. Volgens Haeckel was alles verklaarbaar vanuit de evolutie, volgens Ostwald was alles verklaarbaar vanuit de wet van behoud van energie; Mach verwierp simpelweg alles wat niet gezien en gemeten kon worden als onwetenschappelijk. De heren vlogen elkaar geregeld in de haren, maar ze hadden één kenmerk gemeen: ze negeerden alles wat met het bovennatuurlijke te maken zou kunnen hebben. Daarmee stonden ze aan de wieg van wat tegenwoordig het wetenschappelijk wereldbeeld heet te zijn: een wereld waarin alles, inclusief de mens, de resultante is van toeval en natuurwetten. Wetenschappers als Blackmore en Rees die dit als een fundamenteel inzicht beschouwen, ons aangereikt door de wetenschap, lijken zich niet bewust van het feit dat deze conclusie het gevolg is van concrete historische keuzes over wat wetenschap is en wat niet.

Die doelloze, zinloze wereld die de moderne wetenschap ons sinds ruim een eeuw voorschotelt, is voor de meesten onder ons een onaanvaardbaar, onvolledig wereldbeeld. Slechts een bescheiden minderheid kan er vrede mee hebben. Geen wonder. Ook niet-wetenschappers koesteren zo hun vooroordelen en verlangens, en een van de krachtigste is het idee dat er toch 'iets' moet bestaan, een schepper die alles gemaakt heeft en op de kleintjes let. Wat voor wetenschappers reden is om hier regelmatig en luidruchtig over te klagen. Nietwetenschappers zouden geen benul hebben van de wetenschappelijke methode en geen respect hebben voor wetenschappelijke resultaten. Ze geloven liever in sprookjes, wonderen en sensationele verhalen dan te buigen voor de harde werkelijkheid. Keer op keer wordt de domme massa vanuit de ivoren toren vermanend toegesproken. Zonder succes, uiteraard. De wetenschap heeft dan misschien besloten om 'iets' te vervangen door 'niets', een democratisch besluit is dat niet geweest.

Ook veel wetenschappers hebben nog steeds moeite met dat besluit. Dat kwam helder naar voren tijdens de discussie over Intelligent Design die de afgelopen maanden voortrommelde. Aanhangers van deze opvatting, in Nederland vertegenwoordigd door de Delftse nanotechnoloog Cees Dekker en Ronald Meester, hoogleraar statistiek aan de Vrije Universiteit, willen de evolutietheorie 'verbeteren' door de introductie van een 'intelligent ontwerper' die de evolutie zo nu en dan een handje zou hebben geholpen. Op die manier hopen ze een einde te maken aan de (voor hen) onaanvaardbare zinloosheid van het evolutieproces.

In wezen gaat het hier dus om een poging om de ontwikkeling van de biologie anderhalve eeuw terug te draaien. Een poging die tot mislukken gedoemd is omdat de biologie inmiddels gegrondvest is op de evolutieleer. Biologen zouden niet anders kúnnen denken.

Wat zou iedereen van de wetenschap moeten weten? Wie het wetenschappers vraagt, krijgt vooral hoogdravende antwoorden. Wetenschap is uniek, is uiterst belangrijk, en de enige weg om antwoord op alle vragen te vinden. Dat niet-wetenschappers de antwoorden van de wetenschap vaak onvoldoende, zo niet afstotelijk vinden, ligt volgens diezelfde wetenschappers niet aan hen maar aan de diep gewortelde domheid van de massa, die koppig blijft geloven in een 'iets' terwijl de wetenschap heeft aangetoond dat dat 'iets' niet bestaat. Maar dat laatste is onwaar. De wetenschap heeft nooit aangetoond dat God niet bestaat; zij heeft een eeuw geleden voor dat standpunt gekozen.

Dat was overigens een wijs besluit. Natuurwetenschap en theologie verdragen elkaar slecht. Wie de wereld op basis van onwrikbare wetten en logisch redeneren wil begrijpen, kan niets beginnen met de bewering dat een bovennatuurlijke intelligente macht naar eigen inzicht in de natuur ingrijpt. Baruch de Spinoza wees er drie eeuwen geleden al op: in dat geval kan elke rationele verklaring van de verschijnselen zonder problemen (en zonder dat we iets wijzer worden) vervangen worden door de theologische 'verklaring' dat God weer aan het werk is. Zijn keiharde kritiek op de vermenging van wetenschap en theologie leidde tot een ongemakkelijke wapenstilstand waarbij wetenschappers God niet ontkenden maar wel verbanden naar de periferie van de wetenschap. God had alles geschapen, maar liet de schepping verder op zijn beloop. Hij was almachtig, maar liet de natuurwetten het werk doen. Werd God in de achttiende eeuw nog lippendienst bewezen, in de negentiende eeuw sloeg dat om naar een simpel negeren. God werd de 'dieu inutile', de nutteloze god, waar de wetenschap geen behoefte meer aan had .

De natuurwetenschap beschouwt haar enorme successen van de afgelopen eeuw als hét bewijs dat dit een wijs besluit is geweest. Pogingen zoals van Cees Dekker en Ronald Meester om God weer in het wetenschappelijk wereldbeeld te introduceren, zijn daarom tot mislukken gedoemd. De wetenschap zal zich de komende eeuwen verder ontwikkelen en nieuwe doorbraken bereiken, zonder ooit een beroep te hoeven doen op enige intelligente macht achter de schermen.

Maar dat wil niet zeggen dat het wereldbeeld van de wetenschap superieur en zaligmakend is. En juist wetenschappers zouden zich daarvan bewust moeten zijn. Zij kennen geen openbaringen en geen heilige boeken. Voor hen gelden slechts het experiment en de logica. De kennis die zij op die manier vergaren is nooit 'af', nooit 'de waarheid'. Dat theorieën slechts een beperkte houdbaarheid hebben, dat het nuttig kan zijn oude overtuigingen te laten varen en in te ruilen voor betere. De wetenschap leert ons dat alle kennis beperkt is - om te beginnen de wetenschappelijke.

Dat is geen standpunt dat wetenschappers graag uitdragen. Waarom zo bescheiden zijn als zo veel gelovigen wél voortdurend beweren dat zij de wijsheid in pacht hebben?

Tegelijkertijd vertellen wetenschappers ons graag dat we dankzij de wetenschap hebben geleerd dat de aarde níet het middelpunt is van de kosmos, en dat de mens níet de kroon is op de schepping. Als ze de plaats van de mens zo goed kunnen relativeren, dan moeten ze toch ook in staat zijn zélf een stapje terug te doen, en niet meer rond te bazuinen dat zij de uitverkorenen dezer aarde zijn. Bescheidenheid, blijven luisteren, nooit denken dat je er bent.

Dat is wat de wetenschap ons kan leren.

Meer over