Berio maakt mens van ijsprinses

Bravo Alfano, klonk het in goed Italiaans vanuit de donkerte van het Muziektheaterbalkon, links van demissionair premier Kok. Prinses Turandot en prins Calaf, getroubleerde gelieven in Puccini's opera Turandot, waren net uit beeld verdwenen, op wegstervende orkestklanken....

Schitterend in scène gezet door Nikolaus Lehnhoff.

De vraag was voor wie de eenzame kreet vanaf het balkon bedoeld kon zijn. Niet voor Riccardo Chailly en het Concertgebouworkest. Evenmin voor Frances Ginzer, fraaie vertolkster van de hoofdrol, noch voor Dario Volonté (een nog fraaiere Calaf) of Elena Kelessidi - een prachtige Liú. Zij ontvingen hun eigen bravo's, brava's en bravi's (er was veel internationaal publiek).

Het 'bravo Alfano' klonk als een laatste saluut aan Franco Alfano, de toondichter die Puccini's onvoltooid gebleven opera heeft voorzien van een slotscène, waar de wereld het bijna 75 jaar mee heeft gedaan.

Of was het (tóch nog) een schreeuw van protest tegen de nieuwlichterij van Luciano Berio? Berio is de componist van de nieuwe slotscène die zaterdag in première ging, een première die misschien geen 'wereldpremière' was (daarover twisten Amsterdam en Los Angeles, waar vorige week een serie Turandot-voorstellingen met het nieuwe slot van Berio is begonnen), maar die volgens de Nederlandse Opera in ieder geval het stempel eerste nieuwe scenische productie mocht dragen.

Berio's voltooiing van de derde akte, in januari al concertant uitgevoerd door Chailly en het Concertgebouworkest, doet de oude versie van Alfano verbleken tot een houterig stuk huisvlijt - zij het van een soort dat de gemiddelde Puccinivriend redelijk makkelijk in het gehoor ligt.

Berio's slotscène maakt Turandot tot een 'andere Turandot'. Zijn slot zet de hele opera in een ander licht, omdat het iets onthult over de hoofdpersonage. De Chinese prinses blijkt in de kern geen vrouw van ijs, maar een 'heusch mensch', in wier boezem angsten en verlangens om voorrang strijden. Of dat haar ook zoveel interessanter maakt, is een tweede, maar Berio heeft in elk geval afgerekend met de bekende, onbevredigende afloop van Turandot - met de brute kus van Calaf, die het despotische wicht en plein public moet omtoveren tot een smachtende minnares (een woeha- en tsjingboemslot, dat galmt van ongeloofwaardigheid).

Operagangers zagen en hoorden ditmaal een vis à vis dat zich langs uiteenlopende gevoelsstadia bewoog, waarbij de mannenhaatster zich stukje bij beetje ontpopte als een weerloze, in liefde verzinkende Isolde - althans die kant ging het op, al had de prinses voor haar nieuwe ontpoppping evengoed ook maar een kwartiertje.

Net als Alfano heeft Berio zich gebaseerd op Puccini's nagelaten schetsen, met dit verschil dat Berio de fragmenten en snippers veel uitvoeriger heeft verwerkt dan Alfano. Niettemin klinkt de Beriovoltooiing Berio-achtiger dan de Alfanovoltooing Alfano-achtig. Behalve citaten uit andere Turandot-bedrijven klinken er hints naar Mahler, naar Wagner, naar Schönbergs Gurrelieder. En naar Berio zelf, want die kon het niet laten. Zijn slotscène begint al met een sterke harmonische en orkestrale verkleuring. En in een tussenspel, kennelijk bedoeld om juist zonder vocaal gegalm een spel van groeiende extase te profileren, vlieden citaten voorbij als in de beste passages van Berio's aloude Sinfonia. Adembenemend. Al zijn Puccini's idealen daarmee vermoedelijk nog niet ontsluierd. De vraag is zelfs of Puccini zijn eigen bedoelingen met de slotakte goed op een rijtje had.

Turandot is paradoxaal genoeg interessant door de platheid van de karakters. Turandot: 'ijskoude' mannenhaatster. Calaf, bereid om haar levensgevaarlijke raadsels op te lossen, is 'moedig'. Zijn Tataarse vader, die hij door stom toeval weer tegenkomt in de straten van Peking, is zielig. Liú: een en al zelfopoffering. Het ministerstrio Ping, Pang, Pong: babbelzucht.

Waarop slaat dan de geweldige sweep van Puccini's laatste partituur - een baaierd van muzikale extremen en avonturen? Het zijn de reacties van het koor, die het 'm doen. Redeloos en luimig, weerspiegelt de 'massa' in Turandot elke opwelling in het groot. Puccini's massa is bloeddorstig én vredelievend, zowel nieuwsgierig als vol afgrijzen, is tegen de prinses en voor de prinses, tegen hem en voor hem. De kracht van Turandot zit niet in psychologische logica, maar in de onberekenbaarheid van de fantasmagorie.

Chailly voelt dat perfect aan, en geeft z'n Puccini van de eerste tot de laatste noot een schitterend nerveus cachet. Nikolaus Lehnhof voegt er sublieme droombeelden bij, waarin 'China' zich mengt met commedia dell'arte en Berlijns Brechttheater. Dit mét lucide handhaving van de traditionele opera-hoofdtooi van de Chinese prinses, te benoemen als kerstboomversiering aan een omgekeerde kroonluchter. Haar 'ontpopping' is letterlijk; ze neemt er in de slotscène afscheid van.

Of die slotscène, behalve een parel aan de kroon van Berio, ook de 'definitieve' Turandot oplevert - Berio kon er met geen knipoog meer naar hinten. Hij liet zich niet zien. President Ciampi van Italië had hem naar Rome geroepen voor een onderscheiding, waarop de componist als goed republikein maar had te gaan.

Meer over