Bergamokebab

De Lega Nord houdt er in Italië uitgesproken ideeën op na. Van immigranten moet de partij weinig hebben. In Bergamo worden de kebabzaken uit het oude centrum geweerd.

Door Eric Arends

Eenmaal warmgedraaid, spuwt Cristian Invernizzi: ‘Zo’n kebabtent irriteert me mateloos. Hij gaat rechtstreeks in tegen onze cultuur en traditie. Een kebabzaak in het oude centrum is het bewijs van een trend die wij niet willen. Alles wordt veel te veel met elkaar gemengd. Je gaat naar de oude stad om een Italiaans ijsje of een bord polenta te eten, en niet om een broodje kebab te kopen. Onze traditie gaat zo helemaal verloren.’

Hij stapt fier door de nauwe straatjes van de città alta, de antieke ‘bovenstad’ van Bergamo, aan de voet van de Italiaanse Alpen. Invernizzi (32), voorzitter van de rechtse regeringspartij Lega Nord in de provincie Bergamo, presenteert met zichtbaar ontzag ‘zijn’ verleden: de Piazza Vecchia, met de fontein van de invloedrijke familie Contarini in het midden; de 12de-eeuwse basiliek Santa Maria Maggiore, waar componist Gaetano Donizetti ligt begraven; de massieve stadstoren, die nog steeds elke avond om tien uur zijn klokken 180 keer luidt, zoals vroeger gebeurde om de bewoners te waarschuwen dat de poorten dicht gingen.

Al dit belangwekkende cultuurschoon is nu dus onderhevig aan ‘vervuiling’, zoals Invernizzi het noemt. Op Piazza Mercato delle scarpe, pal tegenover de halte van het bergtreintje waarmee bezoekers vanuit de ‘benedenstad’ het oude centrum bezoeken, leunt tegen de gevel een reclamebord met een foto van een forse homp bruingebraden vlees aan een stalen spies. ‘Döner’, staat er op het raam. En: ‘Helal-Türk.’

Het etablissement is weinig groter dan een klerenkast. Je kunt er niet eens naar binnen; klanten krijgen hun broodje aangereikt door een open raampje. Maar die paar vierkante meter betekenen voor Invernizzi niet minder dan een breekpunt in de eeuwenoude geschiedenis van Bergamo. Hij wijst naar de 16de-eeuwse stadsmuur, aangelegd toen Bergamo nog deel uitmaakte van de Republiek Venetië, en zegt welgemeend: ‘De Venetianen hebben deze muren gebouwd om de stad tegen indringers te beschermen. Dat heeft 500 jaar lang succes gehad, maar nu is het nota bene een kebabhouder gelukt om binnen te vallen. Dat mogen we niet tolereren. Het druist in tegen wie en wat wij zijn.’

Meer polenta, minder couscous, luidt dan ook de slogan waarmee Invernizzi’s partij de strijd is aangegaan tegen de verkopers van exotisch voedsel. De Lega Nord wil Italiaanse gemeenten wettelijke wapens geven om ‘de verkoop van producten die onverenigbaar zijn met de historische en stedelijke context’ te verbieden. Officieel geldt de maatregel ook voor Chinese restaurants, fastfoodtenten en ‘sexy shops’. Maar Invernizzi doet geen moeite te verhullen dat die categorieën in de praktijk veel minder gevaar zullen lopen dan kebabhuizen. ‘Fastfoodrestaurants zijn er al zo lang, die maken zo langzamerhand deel uit van onze cultuur.’

Hoewel de Lega Nord als anti-immigrantenpartij grossiert in pittige maar onhaalbare voorstellen, is het dit keer meer dan een politieke stunt: het bestuur van de invloedrijke regio Lombardije, waartoe steden als Milaan, Bergamo en Como behoren, heeft het wetsvoorstel inmiddels aangenomen, en er is weinig reden te denken dat de rechtse meerderheid in de regionale raad het plan zal afschieten. Elders in Italië bestaan soortgelijke ideeën. In de Toscaanse stad Lucca is een vergelijkbare maatregel al van kracht.

‘Gastronomisch racisme!’, schreeuwen vooral de partijen uit de linkse oppositie. De Italiaanse culinair journalist Vittorio Castellani, warmhartig pleitbezorger van de multiculturele keuken, benadrukt op zijn website dat ‘typisch Italiaanse producten’ als pasta en tomaten oorspronkelijk uit het buitenland komen. Maar Luca Zaia, de minister van Landbouw die ‘liever gerechten uit mijn eigen regio Veneto’ eet en zelfs weigert in een ananas zijn tanden te zetten, heeft de plannen van Lucca en Lombardije hartstochtelijk toegejuicht.

In diverse Lombardische steden voelen buitenlandse (niet-westerse) ondernemers de wet al een tijdje aankomen. Met de bescherming van de Italiaanse keuken of het cultuurhistorische imago van de Italiaanse binnensteden hebben de nieuwe regels weinig van doen, zeggen zij. Het gaat volgens hen in feite om de zoveelste maatregel tegen immigranten.

‘Het zou de tweede keer zijn dat ik mijn zaak moet sluiten’, zegt de Egyptenaar Ahmed, die sinds 1993 legaal in Italië woont en sinds enkele weken een kebabzaak in het centrum van Milaan bestiert. Rond lunchtijd kent zijn afhaalpunt een redelijke aanloop, van zowel studenten op afgetrapte gympen als haastige mannen in strak gesneden kostuums.

‘Eerst had ik hier een internetcafé, maar daarmee ben ik noodgedwongen gestopt’, zegt Ahmed, terwijl hij dunne plakjes vlees van de tollende spies snijdt. ‘Ik moest van de politie aan al mijn klanten een identiteitsbewijs vragen en hun namen opschrijven. Zogenaamd vanwege het gevaar voor terrorisme. Maar door die maatregel durfde niemand meer in mijn zaak te komen.’

Dertigduizend euro heeft hij er naar eigen zeggen mee verloren. ‘En nu beginnen de politici opnieuw.’ Mochten de autoriteiten straks weer bij hem aankloppen, dan pakt hij zijn koffers. ‘Ik voel me hier in Italië helemaal thuis, maar ik heb geen zin om nog meer geld weg te gooien.’

Vijftig kilometer verderop stuurt Cristian Invernizzi van de Lega Nord zijn zilvergrijze Mercedes door Via G. Quarenghi, de ‘migrantenstraat’ in de moderne ‘benedenstad’ van Bergamo. Links loopt een Afrikaanse vrouw, rechts twee Aziaten. ‘Zie je hoe veel Italianen hier lopen?’, smaalt hij. ‘Kijk, hier: een kebabzaak, een phone center, een Chinese kruidenier. De Italianen zijn hier vrijwel allemaal verdwenen.’

Inderdaad, die aanblik wekt wrevel, erkent Invernizzi, die een sweater van zijn politieke partij heeft aangetrokken waarop borstbreed ‘Bèrghem’ staat geschreven, plaatselijk dialect voor Bergamo. Hoe meer de aanwezigheid van buitenlanders zich laat voelen, hoe sterker partijen als de Lega Nord zich aan de eigen regionale of liever nog lokale identiteit vastklampen.

‘Mij irriteert die veel te snelle mengeling van tradities en culturen’, zegt de partijvoorzitter. ‘Ik wil dat later mijn kinderen in dezelfde cultuur opgroeien als ik. Maar het lijkt zo langzamerhand alsof wij ons voor onze afkomst moeten schamen. Op de lagere school worden tijdens Kerstmis geen kerstliedjes meer gezongen, omdat islamitische leerlingen zich dan wellicht beledigd of buitengesloten voelen.’

Vooruit, het is inderdaad lang nog niet overal zo. ‘Maar het gebeurt steeds meer.’

En aan de andere kant ziet Invernizzi ‘een explosie van kebabzaken’, die ‘allemaal ontmoetingsplaatsen van illegale immigranten’ zijn en het toneel zijn van ‘gekakel’ en van ‘drugshandel’ en van ‘berovingen’, kortom ‘een probleem voor de openbare orde’ vormen.

Die onvrede leeft in Italië onder grote delen van de bevolking. Een onderzoek van het German Marshall Fund toonde eind vorig jaar aan dat Italianen meer angst voor immigratie en buitenlanders hebben dan andere Europeanen. Italië geldt nog relatief kort als eerste aanlegplaats voor Afrikaanse immigranten die hun heil in Europa zoeken. Maar inmiddels komt meer dan de helft van hen via de Zuid-Italiaanse kust of de oostgrens binnen. Vrijwel dagelijks zien Italianen op televisie gammele bootjes met desperate Afrikanen en Aziaten arriveren, in het besef dat de autoriteiten zich er nauwelijks raad mee weten.

Silvio Troilo kan zich best voorstellen ‘dat de publieke opinie in Italië soms wat verhit raakt’. Troilo, grondwetdeskundige en hoogleraar aan de universiteit van Bergamo, merkt het aan zichzelf. ‘Sta ik bij de bushalte en hoor ik al die vreemde talen, dan denk ik soms ook instinctief: ben ik nog in Bergamo, ben ik nog in Italië? Let wel, ik ben dan nog iemand die gewend is te beredeneren, die op zo’n moment tegen zichzelf zegt: stop, niet instinctief reageren, laten we de zaak rationeel bekijken. Dus ik begrijp de verwarring bij veel Italianen best.’

Immigratie is voor Italianen ‘een recent fenomeen’, zegt Troilo. ‘In tegenstelling tot landen als Nederland, Frankrijk en België is Italië tot voor kort een vrij gesloten land geweest. De overgrote meerderheid van de Italianen had tot de jaren tachtig, negentig, geen enkele relatie met het buitenland. Men ging op vakantie in eigen land, naar zee, naar de bergen, naar het platteland. En zelfs nu Italianen hebben ontdekt dat er ook andere mooie landen zijn, hoor je nog steeds: maar het eten is er slecht!

‘Daarbij komt dat Italianen tot voor kort in hun manier van leven vrij monolitisch zijn geweest. Er was maar één juiste manier. Dat gold voor kleding, voor de verhoudingen binnen het gezin. Het was allemaal zeer strak geordend en traditioneel. En opeens worden deze Italianen geconfronteerd met mensen die zich op een heel andere manier kleden, heel andere dingen eten, soms heel andere verhoudingen kennen tussen man en vrouw. Om die reden hakt het fenomeen van de immigratie er in Italië veel harder en dieper in dan in andere Europese landen.’

Dat leidt steeds vaker tot wanhoopsdaden. De politie van Parma sloeg vorig najaar een Ghanese student finaal in elkaar die zij ten onrechte voor drugsdealer had aangezien. Zedenzaken groeien in de media in sneltreinvaart uit tot nationale docudrama’s, zodra de verdachte Roemeen of Marokkaan is. Twee Roemeense mannen staan al wekenlang bijna dagelijks met naam en foto in de krant, als zijnde de brute daders van de verkrachting van een Italiaans meisje. Vorige week bleek uit DNA-onderzoek dat zij hieraan nooit schuldig kunnen zijn geweest.

De economische crisis maakt de sfeer er niet prettiger op.

‘Ik ben een racist, echt waar, ik ben een regelrechte racist aan het worden’, zegt Eugenio Martinelli bij de bushalte in de hoofdstraat van Bergamo. Bijna dertig jaar was hij vrachtwagenchauffeur, bracht hij mineraalwater rond. Drie maanden geleden werd hij ontslagen. ‘Ze geven al het werk aan de buitenlanders’, klaagt Martinelli. ‘Ik ben nog maar 51 jaar, maar ik blijk nu al te oud voor een baan. Zeg jij dan maar wat moet ik doen. De regering geeft mij geen cent.’

Details over de kebabkwestie kent hij matig (‘Komt dat uit Nederland, kebab?’), maar zodra hij hoort wat de Lega voor ogen staat, is Martinelli stellig: ‘Die zaken moeten allemaal weg. Ze zijn vies, ze stinken.’

Het zijn dit soort gevoelens die de regering-Berlusconi hebben aangezet tot een groeiende reeks wetten en decreten die de vrijheid van burgers aan banden legt. Gemeenten mogen sinds kort burgerwachten inzetten, een maatregel die in de buurt van Rome al heeft geleid tot een klopjacht met stokken op enkele onschuldige Roemenen. Minister Umberto Bossi, voorman en oprichter van de Lega Nord, stelde vorige week voor om Italianen gezien de economische crisis maar gewoon voor te trekken op de arbeidsmarkt. En naar aanleiding van het gezamenlijke gebed dat een groep moslims in januari hield op het plein voor de kathedraal in Milaan, heeft de regering nu een algeheel verbod ingesteld om ‘te demonstreren op plekken van grote symbolische waarde’ – in heel Italië en voor onbepaalde tijd.

‘Deze regering is nogal geobsedeerd door veiligheid’, zegt hoogleraar Silvio Troilo. ‘Men voelt zich bedreigd, zowel de regering als Italië als geheel. Maar zich bedreigd voelen wil niet zeggen: bedreigd zijn.’

Premier Berlusconi zelf hamert telkens expliciet over ‘het gevoel van veiligheid’ waar Italianen ‘recht op hebben’. Maar in plaats van de gemoederen te sussen met koele cijfers, neemt de regering-Berlusconi volgens Troilo dat sentiment van de massa juist over, en scherpt ze allerlei wetten aan die zo recht indruisen tegen de Italiaanse grondwet.

‘De anti-kebabplannen zijn in dit licht zeer dubieus’, zegt de hoogleraar. ‘Al in artikel 2 staat dat de Italiaanse republiek de onschendbare rechten van de mens erkent en garandeert. In juridische zin betekent dit dat Italië daartoe verplicht is. Ze moet buitenlanders die hier legaal verblijven dus hetzelfde behandelen als Italianen. Dus als een immigrant hier een restaurant of een trattoria of een kebabzaak wil openen, en hij houdt zich aan de regels, is het volgens mij moeilijk om limiteringen te rechtvaardigen.’

In de Via G. Quarenghi heerst weinig hoop meer op een goede afloop. ‘Als Italianen een buitenlander zien, denken ze direct: da’s een crimineel’, zegt de Afrikaanse eigenaar van een bar-restaurant. ‘Maar ze vergeten wat ze zelf doen. De maffia, de camorra, de ‘ndrangheta, zijn dat soms geen Italiaanse organisaties?’

Kort geleden nog kreeg hij van de politie naar eigen zeggen duizend euro boete, ‘omdat er hier drie flessendoppen op de grond lagen’. Nee, hij zegt niet hoe hij heet en ook de naam van zijn zaak wil hij liever niet in de krant. ‘Dadelijk steken ze mijn huis in brand’, zegt hij.

De bareigenaar zweert dat dit geen overdreven angst is.

‘Nog nooit is in Bergamo geweld gebruikt tegen immigranten’, reageert Cristian Invernizzi. Maar die afhaalkebab in de oude stad moet en zal weg. In juni zijn er gemeenteraadsverkiezingen, zegt Invernizzi, dan zal de Lega ook in zijn geliefde Bergamo weer aan de macht komen. ‘Daarna’, belooft Invernizzi, ‘is het bij de eerste de beste overtreding met die zaak gedaan.’

Meer over