Bereisd denker, in de geur van drukinkt

Pelgrimages hoefden niet zo nodig, van Erasmus (Rotterdam, 1466 - Basel, 1536). Wat de katholieke humanist, theoloog, vertaler, briefschrijver en essayist betrof vielen pelgrimages onder bijgeloof en werkheiligheid. 'Wij kussen de schoenen der heiligen en hun vuile zweetdoeken, en wij laten hun boeken, hun heiligste en werkzaamste relikwieën verwaarloosd liggen', schamperde hij in Adagia (1500), zijn toelichting bij Latijnse spreekwoorden.


Het is dus met enige schroom dat ik in het Zwitserse Basel zijn graf kom bekijken in de Münster-kathedraal; zijn grafsteen die wat allenig in de entree van het Historisches Museum staat; de door Erasmus geschreven tekst op de grafsteen van de met hem bevriende drukker en uitgever Johannes Froben in de Peterskirche; het Middeleeuwse Pharmazie-Historisches Museum waar Erasmus en Froben naar verluidt 'in en uit liepen'; en vanzelfsprekend het Erasmushaus aan de Bäumleingasse 18 waar hij op 12 juli 1536 is gestorven.


Hij trok voortdurend Europa door, maar in het toenmalige intellectuele centrum Basel kwam hij het vaakst en liefst: in 1514-15, 1518, 1521-29 en 1535-36. Toentertijd droeg het Erasmushaus de naam 'zum Luft', en was er de internationaal vermaarde drukkerij gevestigd waar Johannes' zoon Hieronymus Froben niet alleen voor het werk van Erasmus zorgde, maar ook de geleerde auteur zelf onderdak bood.


Zo werkte hij graag: omgeven door geestverwanten, en door de geur van inkt en het geratel en geknars van drukpersen (die niet eens zo lang tevoren waren uitgevonden). 'Tumultuarie' inspireerde de man die altijd rusteloos las en schreef, met volkomen overgave. Alleen zo is zijn gigantische productie te verklaren - als ook het ontbreken van toeristische uitstapjes of museumbezoek, terwijl de bereisde denker in Oxford, Venetië, Florence, Leuven en Freiburg zo veel had kúnnen zien. Geen tijd voor. Werk aan de winkel. Vertalen, schrijven, becommentariëren, terug naar de klassieke bronnen, wég met de corrupte Vulgaat-edities van de Bijbel en van de kerkvaders die in hun eigen woorden moesten worden gelezen en begrepen.


Het Erasmushaus is al tijden een deftig antiquariaat. 'U mag er kijken, maar er is nauwelijks iets te zien', heeft de eigenaar me tevoren per e-mail gewaarschuwd. Of het nu helpt om hem beter te leren kennen of dat zoiets schijn is, het doet mij toch goed het houten balkenplafond in het antiquariaat te bekijken en met eigen ogen op de plaquette aan de buitenmuur te lezen dat Erasmus in dit pand woonde en, na het prevelen van de finale woorden in de taal van zijn jeugd, 'Lieve God', de laatste adem uitblies. Veel meer sporen zijn er niet. In een oude taveerne gaan zitten kan ook nog, en dan vragen om wittebrood en een groot glas Bourgogne (dat hielp tegen zijn nierkwaal, las ik in de monografie Wittebrood in Rode Wijn van Diana Dubois over 'leven en eten van Desiderius Erasmus'), maar dan krijgt mijn pelgrimage al de trekken van een type luchtigheid dat de harde werker zou hebben afgekeurd.


Meer over