BELEID ALS RITUEEL

DE herhaalbaarheidsfactor van problemen, dat lijkt mij een toepasselijk onderwerp voor mijn laatste column. Zijn de vraagstukken rond samenleving en criminaliteit typisch voor deze tijd, of vormt de geschiedenis een oneindige bron van zichzelf repeterende problemen?...

Twee recente publikaties geven een aardig inzicht in de historische wetmatigheid van bepaalde ontwikkelingen. De historicus M. E. Verburg schreef het boek Geschiedenis van het Ministerie van Justitie, deel 1, 1798-1898, terwijl de criminologische onderzoekers S. Faber en S. van Ruller studie hebben verricht naar Beleid en praktijk van de strafvervolging in het koninkrijk der Nederlanden, zowel in deze als de vorige eeuw.

De geschiedenis leert dat, als de rechtsstaat tegenwoordig al op instorten staat, dat honderd jaar geleden ook het geval was. Zo blijkt de stijging van de criminaliteit niet alleen aan de moderne tijd te moeten worden toegeschreven. De stijging was in de vorige eeuw over de hele linie zelfs sterker dan in ons tijdsgewricht.

Ook het cellentekort blijkt geen eigentijds probleem. Ondanks de bouw van nieuwe gevangenissen bleef het gebrek aan celruimte - men sprak toen van 'cellennood' - een veel voorkomend verschijnsel. In 1890 liep de toename van niet uitgevoerde vonnissen op tot maar liefst 48 procent. Zelfs in onze dagen komen niet zoveel verdachten ten onrechte op vrije voeten.

Verder blijkt dat ook in de vorige eeuw de nodige spanningen bestonden tussen politie en justitie. Zo kon de vervolging die in 1840 werd ingesteld tegen de Amsterdamse directeur van de politie, Roosen, moeilijk anders worden gezien dan pesterij van het parket jegens de politie. Roosen, die tot zes maanden gevangenisstraf was veroordeeld omdat hij eraan meewerkte dat minderjarige prostituées zich aan medische controle onderwierpen, werd later door de Hoge Raad ontslagen van rechtsvervolging.

Justitie had het toch al niet op de Amsterdamse politie begrepen. In de jaren veertig van de vorige eeuw liep het conflict over de toelage die de hoofdcommissaris voor zichzelf opeiste, hoog op. Minister van Justitie Van Maanen schreef aan zijn bondgenoot van Financiën: 'Die Amsterdamsche policie is voor mij zoowel als voor u een kruis in ons leven.' Twee dagen later trad Van Maanen af. Hij zou niet de enige minister zijn die over de Amsterdamse politie struikelde.

Tenslotte: het is onjuist dat 'beleid' een zaak van recente datum is. Vanaf het moment dat het strafrechtelijk apparaat niet meer op het toenemende aanbod van strafzaken was berekend, is er beleid gevoerd. Aanvankelijk gebeurde dat niet planmatig en systematisch, maar op basis van incidenten.

In 1883 werd ten departemente verontwaardigd vastgesteld dat het toch 'dollemanswerk' was dat een officier van justitie ondanks de 'cellennood' rustig doorging celstraf te eisen. Via een (toen nog geheime) circulaire werd het Openbare Ministerie tot terughoudendheid opgeroepen.

Een andere kwestie betrof het grote aantal zaken dat niet werd vervolgd. In de periode 1850-1910 lag het aantal sepots tussen de 30 en 40 procent (dat kwam overeen met de meting in onze jaren tachtig). De oorzaak hiervan was volgens de minister van Justitie 'de schadelijke ijver' bij de politie die van alle geconstateerde strafbare feiten proces-verbaal opmaakte. In 1893 gaf de minister het Openbaar Minsterie opdracht daartegen corrigerend op te treden.

Uit deze voorbeelden blijkt dat centrale sturing als beleidsinstrument geen uitvinding van deze tijd is. Maar de geschiedenis laat ook zien dat de invloed van sturing nogal beperkt is. Toch wint de sturingsgedachte steeds meer aan populariteit. Daardoor dreigt beleid het karakter van een ritueel aan te nemen.

Hedendaags beleid gaat vooral over de vraag hoe de overheid op de criminaliteit moet reageren. Dat is niet altijd hetzelfde als de vraag op welke wijze de overheid kan bereiken dat burgers zich overeenkomstig de norm gaan gedragen. Voor het antwoord op die vraag is van belang hoe de overheid uitvoering geeft aan haar rechtshandhavende taak.

In zijn voordracht vorige maand voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen heeft de Leidse hoogleraar A. C. 't Hart erop gewezen dat integere rechtshandhaving de idee van een maakbare samenleving uitsluit.

Aan de rechtsstaat ligt een mensbeeld ten grondslag, dat voor de overheid de opdracht impliceert voorwaarden in stand te houden voor het ontwikkelen van burgerschap. Daarvoor is, zou ik menen, sturing ter verbetering van de overheidsorganisatie essentieel, maar niet toereikend. Alleen in de kunst bepaalt de vorm de inhoud.

Er is één groot verschil tussen vroeger en nu. Dat is de openheid waarmee maatschappelijke vraagstukken aan de orde worden gesteld. Daardoor lijken de problemen van tegenwoordig groter dan ze in het verleden waren. Als columnisten dus maar hun mond houden, gaat het met de rechtsstaat vanzelf beter.

Meer over