'Bel de NAVO maar', sist de gemaskerde agent

De dood is Pristina binnengekomen. Hij heeft nog niet toegeslagen maar zijn koude schaduw staat al op de hoek van de straat....

De nieuwe politiemannen die donderdag - met en zonder masker - de straten van Pristina beheersen, ruiken naar bloed. Ook het hotel Grand wemelt plotseling van nieuwe mannen. Ze dragen machinepistolen met geluiddempers, en stappen uit auto's met stickers van Pale, Republika Srpska, toevluchtsoord van jongens uit de vuile oorlog van Bosnië. Deze mannen gaan Pristina uitmoorden. Niemand twijfelt eraan. Niemand zal ze tegenhouden. Geen wet staat ze meer in de weg, nu het oorlog is.

Om warm te lopen rijden ze 's ochtends een auto van de televisieploeg van ITN van de weg, beroven de inzittenden van hun telefoons. Ook de auto, een gepantserde jeep, nemen ze mee. De jeep van CNN steken ze voor het hotel in brand. Ik mag mijn auto houden, die tenminste wel, maar de huurauto van de journalist van de Los Angeles Times wordt ingenomen, en rijdt een kwartier later toeterend en zonder nummerbord voorbij. Uit elk raampje steekt de loop van een machinegeweer. Een kwartier lang blijft hij op me wachten, tweehonderd meter verderop. Dan rijdt hij weg en kan ik vertrekken. Op naar de volgende controle: twee gehelmde mannen van de militaire politie die dreigend voor de auto staan. 'NATO?' 'Nee Holland.' 'NATO!' 'NATO-bommen zullen mijn kinderen doden.'

Ik ben schuldig. Ik ben van de NAVO, van Nederland. Maar ik mag verder, na een kwartier dreigend staren met de vinger aan de trekker.

En ik haal het toch, de stad uit, weg naar Macedonië.

Ook de allerlaatste achtergebleven journalisten slagen er uiteindelijk in een konvooi te vormen, weggestuurd door het ministerie van Informatie, maar met de dood bedreigd en tegengehouden door deze huurmoordenaars. Zij bereiken eveneens het buurland en de hoofdstad Skopje, waar uitgerekend vanavond Servische radicalen aan het muiten zijn geslagen. Auto's van buitenlanders zijn vernield, in het centrum klinken kleine explosies.

Was dat nog maar het enige wat ook Pristina te wachten stond. Een paar handgranaten. Zoals woensdagnacht, na het begin van de bombardementen. Toen werden rond middernacht uit een rijdende auto vier granaten gegooid. Beneden in de stad werd een winkel opgeblazen. Dat werk. Kinderspel. De nieuwe politiemannen zullen de stad iets anders laten zien.

In het huis van Bajram Kelmendi ligt de granaat nog die voor zijn familie was bestemd. Hij is niet ontploft. Ze vonden hem pas donderdagochtend, maar de granaat is niet belangrijk. Bajram Kelmendi, een vooraanstaand mensenrechtenactivist in Kosovo, is meegenomen, samen met zijn beide zoons.

'Bel de NAVO maar.' Vijf politiemannen in uniform trapten woensdag om één uur 's nachts de deur in van het huis. Iedereen moest plat op de grond gaan liggen. 'Waar is het geld', riepen ze eerst en toen: 'Als jullie liegen gaat een van de kleine kinderen hier eraan', vertelt Vollce, echtgenote van Kelmendi's oudste zoon Kastriot. Zij namen Kelmendi mee, en zijn zoons van dertig en zestien. 'Kus je vrouw en je twee kinderen, want dit is de laatste keer dat jij ze ziet', zeiden ze tegen Kastriot.

Ze namen ze mee. Vanochtend is Vollje met haar oom naar de politie gegaan. Die weet nergens van. De vijf mannen waren geen politieagenten en niemand weet waar Kelmendi en zijn beide zonen zijn. Probeer het op een ander bureau, zeiden ze op drie achtereenvolgende bureaus.

'Ze moeten de Serviërs vernietigen', zegt Kelmendi's vrouw, Nedime Kelmendi, advocate en secretaris van het LDK, de partij van president Ibrahim Rugova. 'De NAVO had veel eerder moeten doen wat zij beloofde. Nu moet zij ze allemaal vernietigen, anders doen ze hier wat ze altijd hadden willen doen: ons allemaal vermoorden.'

Familie loopt in en uit, huilend als bij een begrafenis. Een neef schudt zijn hoofd: 'Die bombardementen zijn helemaal niet zo'n goed idee.' Hij voelt maar al te goed hoe de bombardementen de Serviërs het ultieme excuus geven om zich van de hele wereld niets, maar dan ook helemaal niets meer aan te trekken.

De Albanezen voelen het aankomen. Zij huilen als de laatste journalisten hen verlaten. Niemand waagt zich donderdag op straat. Alleen de hoofdstraat is bevolkt, maar uitsluitend met Serviërs. Albanezen kom je hoogstens tegen in achterstraatjes van de Albanese wijken, waar geen politieauto's komen.

Een jaar lang was het oorlog in Kosovo. Maar donderdag, de eerste dag dat de NAVO met bommen een einde aan die oorlog probeert te maken, lijkt hij pas goed op gang te zullen komen.

Meer over