Bekijk ons niet alleen door Haagse bril

Defensie blijft openstaan voor de media, maar die moeten dan wel genoeg aandacht geven aan de complexiteit van militaire missies, vindt Dick Berlijn.

Graag geef ik gevolg aan de uitnodiging - ter gelegenheid van de foto-expositie “Schieten met scherp”- een inleiding te verzorgen over de relatie tussen de krijgsmacht en de media.Laat ik aan de vooravond van mijn vertrek als Commandant der Strijdkrachten beginnen met de constatering dat onze krijgsmacht momenteel volop in de schijnwerpers staat. Dat was in 1969 – toen ik in actieve dienst trad – anders. Ter voorbereiding op de eventuele aanval uit het Oosten werd er door militairen veel geoefend. Maar met veel oefenen haalden we de voorpagina’s niet.

We waren in die tijd betrekkelijk onzichtbaar. Voor zover men al bekend was met de krijgsmacht, kwam dat vooral door de dienstplicht. Toen de dreiging uit het Oosten afnam, werd de houding tegenover de krijgsmacht kritischer. Ik kan me herinneren dat het dragen van je uniform op straat iets was waar je over nadacht. Je voelde je als militair niet echt gewaardeerd. Dat is nu gelukkig anders.

Na de omslag in de Europese veiligheidssituatie kwam het tot actieve inzet van de krijgsmacht in crisisgebieden, in eerste instantie in het voormalige Joegoslavië. De krijgsmacht werd daardoor veel zichtbaarder. Voor de uitgezonden militairen was de aandacht van journalisten voor hun werk nieuw.

De relatie tussen de krijgsmacht en de media ontwikkelde zich in deze fase met vallen en opstaan. In dit verband moet uiteraard – zonder daar diep op in te gaan - het drama-Srebrenica worden genoemd. Het imago van de krijgsmacht raakte beschadigd en er waren natuurlijk collega’s die daar vooral de media de schuld van gaven. Later kwam er gelukkig meer nuance in het oordeel over de gebeurtenissen van toen.

Er ontstond in die periode helaas ook openlijke twijfel over de vraag of onze krijgsmacht wel geschikt was voor het echte werk. In discussies over het ambitieniveau viel te beluisteren dat we moeilijke, meer riskante operaties maar beter aan de grotere landen konden overlaten.

Die twijfel hebben we kunnen wegnemen. Nederland heeft een krijgsmacht waarmee het dragen van internationale verantwoordelijkheid in een steeds onrustiger wordende wereld kan worden waargemaakt.

Ik zou in dit verband vele uiteenlopende operaties kunnen noemen, maar maak de sprong naar 2003 toen besloten werd aan de stabilisatiemacht in Irak deel te nemen. Een missie met een robuust mandaat.

De ontplooiing van Nederlandse militairen in Irak kreeg in het begin veel media-aandacht. Zoals wel vaker gebeurde, nam de belangstelling af toen het erop leek dat dit een routinemissie zou worden. ‘De rustige provincie Al-Muthannah’, zo werd al gauw geschreven.

Begin 2004 nam de onrust echter ook in het Zuiden toe. Dat drong aanvankelijk niet echt tot Nederland door. De media, die wel af en toe in het missiegebied kwamen, maar nog niet ‘embedded’, hadden nog steeds het beeld van een rustige provincie. Daarom kwam het als een schok toen op 10mei 2004 een Nederlandse militair, sergeant Dave Steensma, sneuvelde. Er was een kloof ontstaan tussen de perceptie in Nederland en de werkelijkheid in Al-Muthannah.

Mede op basis van deze ervaring kwamen we tot de conclusie dat we in het omgaan met de media een stap voorwaarts moesten maken. De missie in Uruzgan kwam eraan. We wisten dat deze missie één van onze moeilijkste zou worden, dat er tegenvallers zouden zijn. Dat ook rekening moest worden gehouden met Nederlandse slachtoffers. Met zulke vooruitzichten denk je wel even na over het ruimer toegang verlenen aan journalisten om de missie van nabij te kunnen volgen.

Toch hebben we ervoor gekozen de pers in staat te stellen ‘embedded’ naar het missiegebied te gaan. Een welbewuste keuze waaraan de vorige en de huidige minister van Defensie zonder aarzeling hun politieke zegen hebben gegeven. Het is ons uiteraard niet ontgaan dat er onder journalisten een discussie ontstond over dit aanbod van Defensie om “embedded” te kunnen gaan. Wij hebben het aanbod gedaan, het is aan De media moeten natuurlijk zelf bepalen of ze er gebruik van willen maken.

Vanaf het begin van de operatie zijn er permanent journalisten in ons missiegebied geweest. Die hebben van nabij het optreden van onze militairen kunnen volgen, ook onder heftige omstandigheden. Soms leidde dat voor Defensie tot publicitair ongemak. Soms tot strubbelingen. In een volwassen relatie is dat niet erg. Wij kunnen de publicaties van tevoren inzien om zeker te stellen dat de veiligheid van onze militairen niet in het gevaar komt. Journalisten weten dat er, ondanks deze inzage vooraf, goed in het missiegebied te werken valt.

Kan het beter? Ik denk van wel, maar alleen als beide partijen – Defensie en de media – nog professioneler met elkaar omgaan. In dat kader heb ik onlangs een bijeenkomst georganiseerd om binnen de krijgsmacht het bewustzijn dat media belangrijk voor ons zijn, aan te scherpen. Bij de media zie ik een groeiend besef dat er meer moet gebeuren om de krijgsmacht op missie goed te kunnen volgen. Verslaggevers worden bijvoorbeeld in staat gesteld zich te specialiseren in dit moeilijke onderdeel van de journalistiek. In toenemende mate wordt ook aandacht geschonken aan verwante zaken als de nazorg en het thuisfront.

Met respect voor de onafhankelijke rol van de media, wil ik één kritische noot wel plaatsen. Soms merk je dat uitvoeringsaspecten van de missie meteen en overal in een politieke context worden geplaatst. Het komt voor dat onze militairen die ter plekke met heel andere dingen bezig zijn, geconfronteerd worden met wat ik dan maar noem echte ‘Haagse’ vragen. Natuurlijk, er dient over de missie politieke verantwoording te worden afgelegd. En de Kamer moet kunnen controleren. Maar als het gaat om de rol van de media wil ik ervoor pleiten, dat de berichtgeving vanuit het missiegebied toch vooral gericht is op de vraag hoe de missie verloopt en onder welke omstandigheden wordt geopereerd. Het zou ertoe moeten leiden dat samenleving en politiek nog beter worden geïnformeerd over de missie. Dat is in de eerste plaats van belang voor onze militairen die moeten kunnen rekenen op brede steun voor hun moeilijke werk. Minister Van Middelkoop heeft hier terecht aandacht voor gevraagd.

Zal de steun voor de missie als zodanig ook toenemen door de intensieve berichtgeving? Dat is niet vanzelfsprekend. Zie de peilingen. Maar het is wel onze ambitie. Persoonlijk zou ik willen dat Nederland er nog meer van overtuigd raakt dat het zinvol is aan deze missies mee te doen. Ik heb groot vertrouwen in de professionaliteit van de Nederlandse krijgsmacht, in het vermogen dit soort missies, samen met inspanningen van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, tot het gewenste resultaat te brengen.

We zullen vooruitgang boeken, maar we zullen ook blijven tonen hoe moeilijk het pad is dat bewandeld moet worden. Welk geduld er nodig is in een land als Afghanistan. Kortom, reken ons af op het eindresultaat en niet al te vaak op tussenstanden. U kunt erop rekenen dat wij doorgaan met onze open houding tegenover de media, in goede en in slechte tijden.

Maar daar zou ik graag iets voor terug vragen. Dat voor een faire beoordeling van ons optreden, de complexiteit van militaire missies voldoende aandacht krijgt. Ik zie overigens op dit punt goede voorbeelden in de media. Reconstructies in de pers van belangrijke militaire acties, en actualiteitenrubrieken die tijd inruimen voor militaire commandanten om gebeurtenissen tijdens missies te duiden.

De verhouding tussen de krijgsmacht en de media is op dit moment vele malen beter dan in het verleden. Er is begrip voor de verschillende verantwoordelijkheden. De krijgsmacht is er zich van bewust dat voor ons draagvlak in de samenleving, onafhankelijke berichtgeving onmisbaar is. Ik geloof te mogen stellen dat de media op hun beurt tot het inzicht zijn gekomen dat de krijgsmacht een bijzondere organisatie is waarin je je moet verdiepen om tot goede berichtgeving te komen over wat militairen in opdracht van de samenleving doen.

Dick Berlijn neemt deze week afscheid als Commandant der Strijdkrachten. Dit is de tekst van de rede die hij dinsdag 15 april hield bij de opening van de foto-expositie ‘Schieten met scherp’ in Nieuwspoort.

Meer over