Bekentenissen van een trotse sleurhutbezitter

'Ik heb een caravan.' Dit bommetje laat ik graag vallen in praatjes met collega's over vakanties. In de verblufte stilte maak ik hem dan af: 'Een tandemasser. Zo'n grote dus, met vier wielen.'


Dat is wel wat hoor, onder journalisten, een caravan. Bij Het Vrije Volk stond je een kwart eeuw geleden met zo'n opmerking meteen bovenaan in de BM-index, de 'burgermannetjesindex'. Nu ik erover nadenk: ik ben niet zeker dat dit bij de Volkskrant nu anders is. Hm.


Bij de krant heeft verder niemand een caravan en dat is best curieus. Grofweg een op de tien Nederlanders brengt er immers zijn zomervakanties in door. Statistisch zou ik dus ook op het werk enkele tientallen soortgenoten moeten hebben. Maar nee. Daarover later meer.


Ik heb een twintig jaar oude Solifer, een Fins bakbeest van 7,5 meter. Die caravan kan heel veel. Met zijn driedubbele wanden trotseert hij moeiteloos Scandinavische winternachten van 40 graden onder nul. Een week aan je eigen meertje, zonder enig ander gezelschap dan wolven en beren? Het kan. En dankzij de bootaccu heb je dan nog licht en stromend water ook. Totale vrijheid!


Ik mag graag de suggestie laten hangen dat ik die dingen ook allemaal doe. Maar ik ben daar gek en mijn kinderen zien me aankomen. Mijn labradortje zou al kwispelend op dag één worden verorberd door 't een of ander, mijn vrouw zou fijn thuis blijven; ze heeft een zeer lage dunk van mijn praktisch vernuft en gelijk heeft ze.


Caravannen is bij ons hormonaal. Na de geboorte van ons eerste kind kochten we een Adria van 3 meter. Een Duits jongetje vroeg eens heel beleefd: waarom heeft u zo'n kleine caravan? Dat vond ik een goeie vraag.


Na de geboorte van de tweede kocht ik dus het bakbeest. Daar staat inmiddels een eveneens ruim bemeten twaalf jaar oude Japanner voor. 'Daar komt Circus Meerhof', zeggen mijn vrienden als we aan komen rijden. Nu moet ik weer uitleggen waarom alles zo groot is. Daarop weet ik het antwoord wél: we zitten graag ruim.


Zoals alle gewone mensen trekken we 's zomers naar het zuiden en dan gaan we bij een zee of een meer staan. Liefst pal aan de waterkant. Een huisje op zo'n plek zou ik ook prima vinden, maar dat is onbetaalbaar. Met een gezin ben je in het hoogseizoen zo 1.200 euro per week verder.


Een camping kost eenderde. Voor maximaal dat bedrag stonden we vijf stappen van het Gardameer, 60 meter van de Middellandse Zee in de Languedoc en vorig jaar 30 meter van de oceaan in Bretagne.


Nou kan dat ook in een tent. Maar een van mijn vroegste jeugdherinneringen is aan een storm op het Gardameer, met hagelstenen als eieren zo groot. Ik lig in mijn bed en hoor de buren in een tent naast ons steeds paniekeriger worden. Een kind hoest indringend. Even later ligt het hele gezin erbij in onze caravan. Mijn les: een tent is armoe.


Dat gaat niet meer op, dat weet ik. Een tijdje geleden kwam ik bij vrienden op Vlieland. Het hele eiland bleek vol te staan met De Waard-tenten. Dat waait niet om, dat zie ik ook wel. Maar wat is nou nog het verschil met een stacaravan, de sufste aller kampeermiddelen?


De mensen die erin zitten, dus. Mensen in een De Waard-tent lezen de Volkskrant, mensen in een caravan het AD.


Never the twain shall meet, dacht ik lang. Daar zat ook wel iets bevredigends in; beide groepen bekijken elkaar immers vaak wat meewarig. Ik vind die vochtige tenten wat sneu, tentbezitters op hun beurt vinden ons caravanners een beetje zielig. Als een slak over de snelweg met die benauwde sleurhut achter je aan: brr.


Tot mijn heimelijk genoegen maken hier en daar zulke caravanhaters uit mijn omgeving de draai. Kennelijk is een caravan minder benauwd en sloom als-ie pastelkleurig, druppelvormig en kek retro is. Dat schijnt de laatste tijd, heel voorzichtig, weer wél te kunnen, net als een stacaravan trouwens.


Het zal de crisis wel zijn. Zelf krijg ik ook weer zin in een nieuwe. Groot, wit, vierkant en mobiel graag.

Meer over