Beethoven vioolsonates

In tempo en beweging zijn violist en pianist één.

Wie zijn thermometer wil steken in de klassieke kamermuziek rond 1800, kan prima terecht bij de sonates voor viool en piano van Beethoven. De componist schreef er tien in totaal, waarvan de eerste negen in de jaren 1797-1803, toen hij succesvol maar al dover wordend door Wenen liep.

Ondanks hun iconische status klinken de vioolsonates zelden integraal. Alleen al daarom vallen Leonidas Kavakos en Enrico Pace te prijzen, de Griekse violist en de Italiaanse pianist die er, net als eerder in Athene en Salzburg, een driedelige serie aan wijden in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam.

Bij hun openingsconcert - vervolgafspraak in januari en maart 2013 - kon je je er opnieuw over verbazen hoe Beethoven het genre van de vioolsonate voor een eeuw of wat definieert. Niks vingeroefeningen of probeersels: hier vliegt een componist er vanaf het begin onstuimig in.

Zonder eind zijn de schermutselingen waaraan hij een strijker en een klavierspeler onderwerpt. Ze sparren, gooien motiefjes over, neuriën, saboteren en dagen uit. Op twee eeuwen afstand zie je ze dollen, pianist Beethoven en zijn vioolvriend Ignaz Schuppanzigh, voor wie hij een aantal sonates schreef.

Helaas bleken Leonidas Kavakos en Enrico Pace zelden te porren voor zulk 18de-eeuws vertier. Op hun lessenaars stond de Belangrijke Muziek die latere generaties er in hun verering van hebben gemaakt. De verstramming die ermee gepaard ging vloeide pas weg in de toegift, het slotdeel van de achtste sonate met z'n spinnewielachtige werveling.

Kavakos, de wereldviolist, teisterde de Kleine Zaal niet met een allesverzengend solistengeluid. Het vibrato hield hij aan de bescheiden kant - wat hem bij vlagen kwam te staan op een gehavende intonatie. Fraai waren vooral de zachtere tinten van zijn toon, met naar wens een compacte of ruizige kern. Pace, de pianist die zijn weg naar faam wist te vinden na winst op het Utrechtse Lisztconcours in 1989, liet zich minder vaak betrappen op coloristische spielerei.

Het tekende de onbalans van het samenspel. In tempo en beweging waren de Griek en de Italiaan één, maar in de haarvaten volgden ze verschillende sporen. Misschien gaven ze ook wat al te gewillig toe aan de verlokkingen van een pontificaal accent of een tussentijdse climax. Bovenal wekten de heren niet de indruk dat ze elkaar op het voornaamste kamermuziekpodium van Nederland eens fijn wilden verrassen.

undefined

Meer over