Beeldhouwer van de geschiedenis

TEKSTEN VAN de in 1995 overleden Nederlandse cultuurhistoricus Dedalo Carasso zijn bijeengebracht in een bundel die als titel draagt: In de ban van het beeld....

Historici hebben vaak een wat moeizame relatie tot beelden. Hoewel bijvoorbeeld het hanteren van beeldend proza de populariteit van de geschriften van een historicus zeer ten goede komt, wordt hij er door zijn vakgenoten wat argwanend om bekeken.

Producten van beeldende kunst uit een bepaalde periode zal de hedendaagse historicus niet luchthartig gebruiken om een geschrift over die periode te illustreren, omdat hij zich er terdege van bewust is dat het beeld dat bijvoorbeeld een schilderij biedt, te veel verzinsel kan bevatten. En wanneer het begrip beeld ter sprake komt, gaat dat regelmatig gepaard met de behoefte aan vergruizing.

Dit geeft aan waaruit de complexe relatie tussen historicus en beeld bestaat: het beeld is een valse god, een verleidelijke, maar onware voorstelling. De historicus ziet het als zijn taak deze schijnvertoning te vervangen door de min of meer correcte gang van zaken, kortom door de historische waarheid.

In een historisch museum, waar het verleden van een beeld moet worden voorzien, wordt deze gespannen relatie op de spits gedreven. Daar moet de geschiedenis worden getoond op een manier die het publiek aanspreekt, zonder dat de waarheid geweld wordt aangedaan. Carasso heeft precies dát gedurende zijn hele loopbaan met de inzet van al zijn krachten nagestreefd.

Iets van de twijfel die hij moet hebben gevoeld over de mogelijkheden een spannend evenwicht te bereiken tussen de twee uitersten van vertier en integriteit, klinkt door in het artikel 'Het historisch museum: Clio te kijk'. Met een hem kenmerkende ironie schrijft hij over de nostalgisch-commerciële dimensie van de historische verbeelding naar aanleiding van de festiviteiten bij het 900-jarig bestaan van zijn woonplaats Abcoude in 1985.

Als lid van het feestcomité kon hij waarnemen 'hoe een bevolking van boeren, middenstanders en forensen het verleden overmeesterde'. 'Op de eerste vergadering werd al na tien minuten besloten tot een verkleedpartij, en op de grote dag liep het hele dorp er als Jacoba van Beieren of middeleeuwse ridder bij. (. . .) De middenstand en de vrijwillige brandweer richtten middeleeuwse poorten op bij de ingangen van het dorp; de kosten kwamen terug door een middeleeuwse braderie en een demonstratie van oude ambachten.'

Niet alleen kiest het grote publiek feilloos voor het verkeerde en prefereert het altijd een Efteling-effect in plaats van een historisch adequaat beeld van cultureel erfgoed, ook de historische waarheid zelf kan vele gedaanten aannemen, en dan blijkt Clio een vluchtige minnares. Keer op keer wordt het beeld van de geschiedenis als het ware door de geschiedenis zelf ingehaald en volgt de ene vergruizing de andere op. Nergens wordt dat zo goed zichtbaar als juist in de geschiedenis van het historisch museum zelf.

Gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw was in feite elk museum een historisch museum, omdat kunstwerken rijp en groen door elkaar hingen om vooral het glorieus verleden te laten zien. In het begin van deze eeuw werd de kunst steeds meer op de voorgrond geplaatst ten koste van de geschiedenis.

Het beeld van het verleden verstofte in stijlkamers en verzamelingen oude werktuigen, die er hooguit van konden getuigen hoe de wereld er vroeger had uitgezien, maar niet hoe het was geweest om er te leven. Toen het historische museum aan het eind van de jaren zestig een nieuwe impuls kreeg, was dat wat men wilde tonen: het beeld moest worden ingevuld, de schone schijn vervangen door de harde historische waarheid en in de plaats van een Ot-en-Sien-achtige nostalgie moest een kritisch bewustzijn worden gewekt.

In heldere beelden zonder overdaad aan sensatie werd de doffe achterkant van de Gouden Eeuw uiteengezet, of werd het spoor van de lagen der bevolking die doorgaans niet in het beeld voorkomen, tot in onze eeuw gevolgd. In de jaren tachtig lag de nadruk in het museumwezen echter op glamour en glans, meer op beeld dan op waarheid, en de historische musea maakten opnieuw zware tijden door. Zo werd in het Amsterdams Historisch Museum de inrichting die de twintigste eeuw behandelde, weer weggehaald en keerde zelfs de stijlkamer terug.

Ondanks deze terugval sprak Carasso de verwachting uit dat de windrichting zich weer zal wijzigen, zodat opnieuw gestreefd kan worden naar een weloverwogen voorstelling van het verleden. Helaas is hij er niet meer om aan dat nieuwe beeld vorm te geven. Zonder twijfel zou hij er nog steeds de meest aangewezen persoon voor zijn, want er is niemand bij wie het doen en laten in zo'n sterke mate was doortrokken van juist deze combinatie van historisch onderzoek en beeldvorming.

Carasso was de zoon van een Italiaanse beeldhouwer. Toen hij zich ging bezighouden met historisch onderzoek, richtte hij zich, hoe kan het anders, op het beeld dat men in de achttiende en negentiende eeuw van de Hollandse kunst in de zeventiende eeuw heeft gevormd.

Toch is het bij de artikelen die daarover gaan, alsof de historicus en de beeldenvormer elkaar een beetje in de weg zitten. Het best is Carasso wanneer hij onderzoek doet in verband met een tentoonstelling. Dan schrijft hij op een manier die een misschien tijdelijk, maar toch onomstotelijk beeld evoceert.

Jeroen Boomgaard

Dedalo Carasso: In de ban van het beeld - Opstellen over geschiedenis en kunst.

Verloren; 296 pagina's; * 50,-.

ISBN 90 6550 606 3.

Meer over