Bedrieglijk nonchalant

Eindeloos heeft Hein van der Heijden naar video's van Frank Sinatra gekeken. Niet om te analyseren, gewoon kíjken. In de musical 'Sinatra: That's life!' streeft hij geen imitatie na....

Door Erik van den Berg

Beetje bij beetje is Hein van der Heijden deze zomer in Francis Albert Sinatra veranderd. De blauwe ogen had hij al, maar verder ging de transformatie niet vanzelf. Hoe verklank je een Eastcoast-accent, wat is het geheim van een gesmeerde entree, wanneer pak je de microfoon met twéé handen vast - Ol' Blue Eyes' verzamelde cd- en videowerken vormden eindeloos studiemateriaal voor de voormalige acteur van Toneelgroep Amsterdam. Ter voorbereiding van zijn hoofdrol in de musical Sinatra: That's Life! heeft hij vooral naar de zanger gekeken.

'Ik heb me voorgenomen niet te streven naar een imitatie, maar een interpretatie', expliceert Van der Heijden in een Amsterdams etablissement, waar bij wijze van ironisch toeval Sinatra-muzak uit de speakers sijpelt. 'De ouverture van My Way, hoor je wel? Wat een Blokker-versie.'

De grootste Amerikaanse zanger van de twintigste eeuw (1915-1998), de 'Mercedes-Benz of men' (volgens Marlene Dietrich) laat zich niet straffeloos imiteren. 'Die man is zó ontzettend goed, dat red je nooit. Bovendien: ik ben acteur en geen zanger, die achtergrond heb ik niet. Maar hij zei niet voor niets 'the lyrics are the most important thing'. Sinatra gaat niet alleen over virtuoos zingen, het gaat ook over: hoe verkoop je het. Nonchalant op je barkruk hangen en intussen verschrikkelijk goed een tekst neerzetten, een verhaal vertellen. Dat is iets wat een acteur zou kunnen doen.'

Waarom toch niet gewoon een zanger in de hoofdrol? Dat komt, denkt Van der Heijden, omdat het musicalbedrijf in Nederland langzaam opschuift in de richting van het toneel. 'Je ziet meer acteurs in musicals. Acteren wordt belangrijker. De grenzen zijn aan het vervagen.'

Het is zijn eerste musical. 'Ik ben opgegroeid met muziektheater. Hauser Orkater. De musicals in Carré interesseerden me niet.' Hij zat in bandjes, speelde gitaar en zong. 'Bij Toneelgroep Amsterdam vormde ik met Hajo Bruins een duo. Als er een feestje was, stonden wij tussen de schuifdeuren.' Voor een King Lear-bewerking van Sam Bogaerts nam hij trompetles bij Boy Raaijmakers. De jazzliefhebber in hem werd wakker. 'Miles Davis, John Coltrane. Ik begon de muziek te snappen.'

Begin dit jaar vertrok hij bij Toneelgroep Amsterdam. Na tien jaar vond hij het mooi geweest. Kitty Courbois liet ergens zijn naam vallen, en toen ging de telefoon. Of hij auditie wilde doen. Van der Heijden haalde zijn oude Sinatra-lp's uit de kast ('luisterde ik eigenlijk nooit naar') en kreeg er zin in. Op de auditie zong hij Sinatra's I Don't Know Why I Love You, met eigen begeleiding op de gitaar. Weinig sinatresk, 'maar met een gitaar voel ik me op m'n gemak.' De rol was voor hem.

Sinatra: That's Life! is een productie van American Songbook, dat eerder theaterportretten maakte van Irving Berlin, Rodgers & Hart en Cole Porter (You're The Top, met Willem Nijholt). De voorstelling bundelt de krachten van tekstschrijver Edward Montie, regisseur Frans Weisz en muzikaal leider Ruud Bos. Uitgangspunt is Sinatra's afscheid in 1971, als hij, moe en uitgeblust, aankondigt dat hij met zingen stopt (twee jaar later is hij terug voor een reeks nieuwe engagementen, culminerend in de Grammy Legend Award die Bono hem overhandigt).

Het verhaal speelt op de avond van het afscheid. Er is een feest georganiseerd, maar Sinatra zit thuis te mokken en giet zich vol aan zijn huisbar, in gezelschap van butler Jimmy. Een voor een proberen oude vrienden als Sammy Davis jr. (Henk Dikmoet), Dean Martin (Dennis van de Klundert) en Ava Gardner (Frédérique Sluyterman van Loo) hem over te halen mee te feesten - aanleiding voor flashbacks op betere tijden, waarbij een stoet klassiekers voorbij trekt: I've Got You Under My Skin, One For My Baby (And One For the Road), I'm A Fool To Want You - tot en met het onvermijdelijke New York, New York en My Way.

De gedachte dat hij 'de Johan Cruijff van de zangers' moet spelen, zet Van der Heijden zoveel mogelijk van zich af. 'Neem zijn opnamen met Count Basie, stukken die ik ook in de musical zing. Daar moet ik niet te lang over nadenken, want als je hoort hoe dat swingt, dan word je gek.'

Natuurlijk nam hij extra zangles, oefende hij zijn danspasjes ('ik ben nu zo ver dat ik niet meer naar mijn voeten kijk') en timmerde hij aan zijn conditie ('kijken of de longinhoud wat groter kan'). 'Maar nogmaals, ik probeer Sinatra niet te imiteren. Hij is een rol, mijn interpretatie van een fenomeen.'

Samen met zijn vocal coach Jimmy Hutchinson bereidde hij zich voor. Hoe Sinatra fraseert, eigenaardigheden in zijn intonatie ('Ohlll or nothing at ohlll'), de manier waarop hij accenten legt - 'maar alles binnen mijn aanbod, binnen de mogelijkheden van mijn stem. Zijn timing is sowieso onnavolgbaar. Ken je Don't Worry About Me? Hoe hij dat zingt: Don't worry about meeeeeeeeeeeeeeeeeeee. Daar kan ik maar beter niet aan beginnen. Ik moet kijken hoe ik zo'n passage zo slim mogelijk fraseer. Op mijn manier.'

Over Sinatra's stem is veel onzin beweerd. Dat hij heel anders zong dan Bing Crosby, de huiselijke bariton die hij begin jaren veertig met geweld van zijn troon schopte, was evident. Maar het duurde even voor duidelijk werd hóe anders. Gene Lees rekende in zijn boek Singers and the Song af met de kletsverhalen ('Sinatra gebruikte Indiase ademtechnieken') en verduidelijkte hoe het wel zat: Sinatra keek de kunst af van de trombonist Tommy Dorsey, in wiens band hij van 1940 tot 1942 zong.

Dorsey, 'The Sentimental Gentleman', was een meester van het fluwelen legato. Door listig getimede, haast onmerkbare adempauzes (zelden aan begin of einde van een zin) kon hij schijnbaar eindeloze lijnen spelen, die gracieus over de grenzen van een muzikale frase vloeiden. Sinatra maakte zich Dorseys ademtechniek eigen, met hetzelfde bedrieglijk naadloze resultaat. Zijn eerste critici verbaasden zich over die lang aangehouden klinkers en spraken weinig complimenteus van mooing ('geloei').

De verhelderendste kenschets van Sinatra's techniek danken we aan de musicoloog Henry Pleasants, die in zijn studie The Great Singers (1967) poneerde dat Sinatra weliswaar 'populaire' muziek zingt, maar in feite alle technieken van de klassieke belcanto-zang toepast. Pleasants demonstreerde overtuigend hoe via het begrippenapparaat van het klassieke belcanto (portamento, rubato, glissando) Sinatra's 'geheim' eenvoudig te analyseren valt - ook het vermeende mooing, dat volgens Pleasants niets anders is dan het 'seamless legato of belcanto'.

In een zelfportret in het tijdschrift Life gaf Sinatra zijn schatplichtigheid aan de Europese zangtraditie toe. 'Toen ik in het midden van de jaren dertig begon te zingen, probeerde iedereen Bing Crosby te imiteren. Ik bedacht dat de wereld misschien niet op nóg een Crosby zat te wachten. De oplossing vond ik in de Italiaanse belcanto-stijl, zonder dat ik daar de aandacht op vestigde.'

Die laatste toevoeging ('without making a point of it') is veelzeggend. Enerzijds betekent het dat Sinatra de moeilijkste passages als vanzelfsprekend laat klinken. Hij roept niet 'hoor eens wat ik met mijn stem kan', maar past de techniek toe om zo duidelijk mogelijk te vertellen waar hij vol van is. De tweede interpretatie is even plausibel: hij maakt geen ophef over zijn inspiratiebronnen om de concurrentie niet op een idee te brengen.

Sinatra had een duidelijke opvatting over collega's. 'I can sing that son of a bitch off the stage any day of the week', zei hij in 1946 tegen de New Yorker, toen die beleefd informeerde hoe hij over een collega-zanger dacht. De Amerikaanse Sinatra-watcher Steven Petkov heeft betoogd dat Sinatra's vechtlust een integraal onderdeel van zijn zingen vormt. Zijn voorganger Bing Crosby was een genoeglijke crooner die het leven zo kwaad nog niet vond. Sinatra introduceerde een rauwer, intenser geluid, dat Crosby op slag ouderwets maakte. 'Sinatra straalde gevaar uit. Hij kon grootmoedig zijn, kwetsbaar, agressief of regelrecht gevaarlijk - en zo zong hij ook.'

Van der Heijden vindt Sinatra bovenal naturel: 'Alles wat hij doet lijkt moeiteloos en natuurlijk. Dat maakt hem geloofwaardig - hij heeft iets bijzonders meegemaakt en speciaal voor jou zingt hij erover. Hij kruipt in de tekst. Daarom denk ik dat een acteur bij hem in de buurt kan komen. Het is het acteren van een lied.'

Niet toevallig was Sinatra ook een overtuigende filmacteur. 'Daarin had hij ook dat natuurlijke. Hij debuteerde in een periode waarin die stijl begon op te komen, dat het niet allemaal zo gróót hoefde, en hij was er meteen erg goed in. Naarmate hij beroemder werd, werd hij nonchalanter, wilde hij niet meer repeteren en accepteerde hij slappe rollen. Maar in From Here To Eternity (1953) vind ik hem erg mooi; een schriel, buitengewoon intens mannetje.'

In het dagelijks leven was Sinatra volgens Van der Heijden geen aangename man. 'Op toneel is hij een tedere macho. Maar ondertussen. Hij ramde hotelkamers in elkaar. Die agressiviteit moet ik in mijn rol doseren. Want voor je het weet sta je alleen maar boos te wezen.'

De video's brachten uitkomst. Van der Heijden zag karakteristieke gebaren en tics ('hij staat vaak aan zijn pinkring te pielen') die in zijn rol van pas komen. 'Ik heb eindeloos naar hem zitten kijken. Niet om hem te analyseren, maar gewoon, kijken. Zo gaat het met het zingen ook. Niet meteen te veel willen. Op een gegeven moment merk je vanzelf hoe bepaalde dingen naar voren komen.'

'Nederlands' aan That's Life! vindt Van der Heijden dat het niet louter glitter en glamour is. 'Bij ons zie je een eenzame man die tegen zijn depressies vecht. Er zit natuurlijk heel veel goede muziek en gein in, maar het uitgangspunt is een onzekere jongen met een waanzinnige ambitie. Hoe hij een bastion van roem en macht wordt, maar je toch altijd die onzekerheid blijft voelen. Stel je een Amerikaanse Sinatra-musical voor. Dat wordt toch meer een sterrenverhaal.'

Meer over