Bart Tromp: géén partij-ideoloog

Vorige week kreeg ik nog een korzelig mailtje van hem. Of ik hem nooit meer als ‘partijideoloog’ wilde aanduiden: ‘*ook niet tussen aanhalingstekens....

Hij had vanzelfsprekend gelijk, als zo vaak. Vandaar de aanhalingstekens in mijn column, die bedoeld waren om van dat ‘partijideoloog’ knipogend een epitheton ornans te maken: een versierende toevoeging, de herkenningsmelodie. Zoals we de ‘uilogige Athena’ hebben en de ‘rozevingerige dageraad’, hebben we ‘partijideoloog Tromp’. Helaas is dat ‘hebben’ nu ineens ‘hadden’.

Het is dat hij te vroeg gestorven is om zijn eigen doodsberichten nog te lezen of te horen, anders zouden ze hem bevestigd hebben in zijn grimmig-vrolijke overtuiging dat journalistiek Nederland er als het even kan een potje van maakt. Want het was alom ‘PvdA-ideoloog’ wat de klok sloeg, ook bij de media waarin hij publiceerde. Kenden die hem slecht? Of liet hij zich de gewraakte aanduiding uiteindelijk toch gemoedelijk aanleunen? Zijn tegenstribbelen moet in elk geval weinig indruk hebben gemaakt.

Een partij-ideoloog is in de typologie van Max Weber een functionaris. Dat was Tromp slechts een deel van zijn leven en dan ook nog in deeltijd, als lid van partijbestuur en partijraad. Voltijds was hij een ‘politieke mens’: een toegewijde aan de publieke zaak die zijn overtuigingen (‘gezindheid’) paart aan verantwoordelijkheid. Als geleerde of wetenschapper (een door hem verafschuwd woord) en ‘politiek journalist’ was de politiek weliswaar zijn beroep, maar van beroep was hij geen politicus.

Door zijn wekelijkse Parool-column, zijn bijdragen aan Maatstaf, waarvan hij redacteur was, en zijn essaybundels was hij voor mij jarenlang een vertrouwde, van verre bewonderde leermeester. Een letterlijk voorbeeldige politiek columnist en, misschien nog wel meer, essayist. Zijn beste boeken zijn ook bundels essays: De samenleving als oplichterij (1977), Het falen der nieuwlichters (1981), Een frisgewassen doedelzak (1988). Alleen de titels al.

Uit een opstel over Max Weber – naar aanleiding van een boek van Anthony Giddens, later de man achter New Labour – valt op te maken hoe Tromp zijn politieke betrokkenheid rijmde met wetenschappelijke distantie. ‘Webers verdediging van de waardevrijheid houdt dus niet in dat geleerden zich van politiek moeten onthouden en zelfs niet dat het hun verboden zou zijn hun politieke en ethische opvattingen in hun onderwijs te laten doorklinken, mits ze dat maar als zodanig duidelijk maken.’

Dat laatste deed hij onbewimpeld. Tegelijk confronteerde hij zijn eigen en vooral ook andermans ‘politieke en ethische opvattingen’ steeds rigoureus met de werkelijkheid. Ook dat was geheel in Webers geest: ‘Meer dan wie ook voor of na hem was hij ervan overtuigd dat politieke en ethische waarden niet immuun zijn voor intellectuele beheersing, en dat ze zich dienen te wijzigen op basis van de reflectie en de empirische kennis die de sociale wetenschappen kunnen leveren.’

Bij Bart Tromp leerde je zo, vaak in het voorbijgaan, basale politieke lessen. Dat gevolgen belangrijker zijn dan goede bedoelingen. Dat politiek een geheel eigen sfeer van menselijk handelen betreft, niet te verwarren met of gelijk te stellen aan bijvoorbeeld ethiek of recht. Dat, in zijn mooie frase, het volkenrecht geen volkeren beschermt, maar hun heersers. Misschien simpele lessen, zo uit het spreekwoordelijke kanarieboekje, maar zij konden in theologiserend Nederland niet vaak genoeg op het rooster staan.

Veel later pas leerde ik de geduchte, niet voor confrontaties terugdeinzende polemicus ook persoonlijk kennen. Hij bleek een beminnelijk man en onderhoudend causeur met een rijk repertoire aan anekdotes en roddels over vriend en vijand. Hij kon bewonderen én vijandschappen koesteren. Fortuyn was zo’n vijand – zelfs de ‘y’ in zijn naam waar oorspronkelijk een ‘ij’ prijkte, moest het telkens weer ontgelden.

Dat ik, niet-partijgenoot, er over deze ‘schreeuwlelijk’ een grotendeels andere mening op nahield, weerhield hem er niet van me uit te nodigen lid te worden van de werkgroep Partijpolitieke Processen van de Wiardi Beckman Stichting, een gezelschap dat hij sinds onheuglijke tijden voorzat.

Eenkennig was hij dus niet, makkelijk van eventueel ongelijk te overtuigen nog minder. In het diepste geheim heb ik me zelfs weleens afgevraagd of hij nog wel bereid was zijn politieke en ethische waarden in de waagschaal te stellen. Toch evolueerden zijn denkbeelden en bevatte zijn contramine gaandeweg meer gezindheid. Toen het land praktisch elke ideologie afzwoer, begon zij bij hem aan een opmars. De late Tromp viel niet zomaar samen met de vroege.

Zijn grondeloze afkeer van president Bush en de oorlog in Irak deed hem het volkenrecht rehabiliteren dat Bush met voeten trad, omdat het een barbaarse heerser beschermde. Maar je kunt hem natuurlijk niet ontzeggen dat goede bedoelingen weer eens desastreus hebben uitgepakt. Veel reflectie en empirische kennis zijn voor dat inzicht niet eens nodig.

In zijn laatste mail gispte Tromp ook nog even m’n suggestie voor een islamitische werkgemeenschap in de PvdA: ‘een onmogelijkheid, omdat de islam geen kerkgenootschap is. Er zijn zeshonderd verschillende varianten in Nederland aanwezig, en die zijn vrijwel altijd ook nog exclusief voor bepaalde (voormalige) nationaliteiten. Turkse, Surinaamse en Marokkaanse moslims voelen geen enkele gemeenschappelijkheid’.

Wat ik zeg: een strenge leermeester. Hij zal deerlijk worden gemist.

Meer over