Barrières

Ook ik ben puber geweest. Goedemorgen. Maar het gekke is: ik kan me daar niets van herinneren. Oké, ik weet nog goed dat ik een jaar of 15 was, onder de puisten zat, vol verbazing in mijn onderbroek keek en altijd ruzie had met mijn vader – voornamelijk over de...

Martin Bril

In mijn omgeving wemelde het destijds van de lotgenoten: allemaal jongens en meiden die het aan de stok hadden met hun ouders. Voor zover ik weet, gingen die conflicten allemaal over hetzelfde: kleding, het tijdstip waarop je 's avonds thuis moest zijn, haar, kerkgang, de dreigende komst van de Russen, muziek en hoe hard je die mocht draaien én drank, drugs en seks. Met terugwerkende kracht denk ik dat de meeste van die conflicten werden ingegeven door de angst die ouders koesterden voor de nieuwe tijden die kort daarvoor – ik ben van de jaren zeventig – zo duidelijk in beeld waren gekomen: flowerpower, Woodstock, provo. Maar het woord puber hoorde je nooit. In plaats daarvan hadden we de generatiekloof.

Het woord zegt het al.

Mijn ouders waren in mijn jeugd in de bloei van hun leven. Ze hadden vroeg kinderen gekregen en hadden zich op de maatschappelijke ladder snel opgewerkt: flat, rijtjeshuis, twee onder één kap, vrijstaande villa in een nieuwbouwwijk. Ze misten de jaren zestig, omdat ze zo druk met hun gezin waren en omdat ze natuurlijk al te oud waren. Nu zouden veertigers egewoon meedoen met een culturele revolutie, maar toen wisten ze hun plaats nog: ze waren oud, of vroegoud, nog net op tijd om Blue Movie mee te pikken. Tegen de tijd dat ik een jaar of 14 was, stond ik lijnrecht tegenover ze, aan de andere van de kloof, zogezegd. Ik wist meer van de jaren zestig dan zij, ik voelde me er meer mee verwant dan zij, en ik eiste mijn deel op, dat wil zeggen: mijn vrijheid. Niet wetend, uiteraard, dat dit een normaal fenomeen was, puberteit geheten. Enfin.

Ik kwam erdoorheen, of ik zit er nog steeds middenin, en inmiddels heb ik twee dochters die puberen. Wat merken we daar nou van? Een heleboel, mag ik wel zeggen. Om te beginnen staan ze bloot aan allerlei vreemde ingevingen en absurde verlangens, al dan niet door woest fluctuerende hormoonspiegels veroorzaakt. Daarnaast worden ze bijzonder eigenwijs, en zijn ze vaak humeurig. Ook – het belangrijkste waarschijnlijk – stellen ze weinig prijs op ouderlijke bemoeienis. Ze bouwen, kortom, hun eigen wereld op en dat gaat met vallen en opstaan, en veel geruzie, geschreeuw en gedonder. Maar om nou te zeggen dat we lijnrecht tegenover elkaar staan, nee. Dat kan natuurlijk nog komen, maar ik hoop het eerlijk gezegd niet. Ik hou niet zo van conflicten, wat misschien een zwak punt is.

Maar ik hoop ook niet dat ze tot in lengte van dagen gezellig thuis blijven zitten omdat het hier zo makkelijk en goedkoop leven is. Aan de andere kant: opportunisme hoort bij de jeugd en zeker bij de puberteit. Zolang je ze de kans en de mogelijkheid geeft, zullen ze van je profiteren. En geef ze ongelijk. Het ligt ook niet aan hen dat er geen generatiekloof meer is. Wat hen betreft, is die er iedere dag. Het ligt aan ons, moderne ouders: wij staan niet op onze strepen, wij willen niet vroegoud zijn, maar altijd jong. Zulke ouders had ik vroeger om mijn vinger gewonden, dus ik kijk er nu ook niet van op.

De kunst van het opvoeden in deze barre, gemondialiseerde tijd is het zo vernuftig mogelijk barrières voor onze pubers op te werpen. Barrières die ze vervolgens met alle geweld willen nemen, (nog) niet wetend dat ze al doende precies daar terechtkomen waar wij ze als ouders willen hebben: in een gelukkig, onafhankelijk, volwassen leven.

Dankuwel, goedemorgen.

Meer over