Bankkluizen met miljardenschat aan goud en geld blijven op slot Zwitserland is zuinig op roversbuit van nazi's

Het was al sinds jaar en dag bekend dat de Reichsbank in Berlijn tussen 1940 en 1945 flink zaken deed met de neutrale Zwitsers, maar de astronomische hoogte van de bedragen werd pas duidelijk toen eerder dit jaar een enorme hoeveelheid dossiers werd teruggevonden in de National Archives van Washington....

Van onze verslaggever

Henk Strabbing

AMSTERDAM

In het jaar 1943 alleen al kregen de Zwitsers honderd ton goud aangeleverd. 's Werelds meest gehaaide bankiers wisten heel goed dat dit goud door de nazi's was gestolen. Er was ook goud bij van vullingen uit de gebitten van vergaste concentratiekampgevangenen. Het staat niet vast dat de Zwitsers dát geweten hebben, want de Reichsbank was heel gewiekst in het omsmelten van goud tot baren die dan meestal een vooroorlogs datumstempel kregen. Ook gestolen monetair goud uit de diverse nationale banken kreeg vaak zo'n 'behandeling'.

De Zwitsers wasten het wit, gebruikten het om buitenlandse valuta te kopen of stopten het goud voor hun opdrachtgevers in de kluis. Intussen bleef er voor de Alpenbewoners meer dan voldoende aan de strijkstok hangen. De Zwitserse banken werden slapend rijk in de jaren waarin de rest van Europa dramatisch verarmde.

Ook de Amerikanen wisten vrij precies wat er in Bern, Basel en Zürich gebeurde. Het Amerikaanse gezantschap in de Zwitserse hoofdstad was het voornaamste spionagecentrum van de geallieerden in Europa, geleid door de latere CIA-directeur Allen W. Dulles.

Op 1 april 1945, enkele weken voor het einde van Hitlers Duizendjarig Rijk, stuurde Dulles een telegram naar Washington: 'De Zwitsers accepteerden zojuist drieduizend kilo goud van de Duitsers wegens ''diplomatieke dienstverlening'',' aldus de toenmalige president van de Bank of International Settlements. Drieduizend kilo goud vertegenwoordigt, tegen de huidige prijzen, een kleine honderd miljoen gulden.

De tekst van dit telegram werd in juli van dit jaar teruggevonden te midden van ongeveer honderdduizend dossiers die momenteel door een grote groep onderzoekers van het World Jewish Congress in de National Archives van Washington worden doorgevlooid. Deze zoekpartij verloopt uiterst traag, omdat de dossiers niet zijn gesorteerd en er dus niet gericht kan worden gezocht naar bepaalde onderwerpen.

Edgar Bronfman, voorzitter van het WJC, en zijn secretaris-generaal Israel Singer stapten meteen met het Dulles-telegram naar de verzamelde Zwitserse bankiers. Ze waren woedend.

De Zwitserse banken hebben tot nu toe steeds kans gezien eensgezind alle onderzoeken te dwarsbomen. Erfgenamen van hun vooroorlogse joodse klanten kregen steeds nul op het rekest.

Op 25 mei 1946 sloten de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk met Zwitserland het Verdrag van Washington, waarbij de Zwitsers toezegden alle Duitse 'positions' te liquideren. Vijftig procent van de opbrengst mochten de Zwitsers houden. De andere helft stortten de drie geallieerden als 'trustee-landen' in een pot waaruit de benadeelde landen proportioneel schadeloos konden worden gesteld. Bovendien moesten de Zwitsers 250 miljoen Zwitserse frank (toen bijna evenveel in guldens) in dezelfde pot storten.

In ruil daarvoor zagen de geallieerden definitief af van alle verdere claims. Met name het World Jewish Congress vraagt zich af waarom de Zwitsers in 1946 zo coulant werden behandeld. Voor het WJC stond al langer vast dat er voor miljarden aan geroofd geld en goud in Zwitserland was terechtgekomen. Ook 'slapende' vooroorlogse rekeningen van in de oorlog omgekomen joden zouden bij elkaar in de vele honderden miljoenen guldens moeten lopen.

De kleinere geallieerden, zoals Nederland en België, werden met het Verdrag van Washington voor een voldongen feit gesteld. Protesten dat er bij hen veel meer was geroofd dan ze uit de 'pool' tegemoet konden zien, haalden niets uit. De Grote Drie noemden zich in deze kwestie 'trustee-powers' en verklaarden zichzelf bevoegd om tevens voor de kleintjes te onderhandelen.

Met name Nederland werd door het verdrag gedupeerd. Na een stroom van protesten uit Den Haag wees Bern erop dat Nederland tijdens de onderhandelingen voor het Verdrag van Washington met een eis van rond 161 miljoen dollar aan goud op de lijst had gestaan, maar dat daar door de geallieerde onderhandelaars niets mee was gedaan. Het is nooit duidelijk geworden waarom niet. Nederland kon daarna eigenlijk alleen maar wijzen op de morele aspecten van de affaire, maar de Zwitsers wilden daar niet van horen.

Zwitserland bleef met succes hameren op de clausule in het verdrag dat nadere claims achterwege dienden te blijven. Alleen op momenten dat de 'morele' opwinding internationaal grote proporties aannam, wilden de Zwitsers wel eens iets doen. Zoals in 1962, toen ze bekendmaakten plotseling 961 rekeningen te hebben ontdekt die aan joodse cliënten hadden behoord, met een totaal van 7,5 miljoen Zwitserse frank. Dit geld ging naar de nabestaanden. Als pleister op de wonde kregen Zwitserse joodse organisaties toen twee miljoen Zwitserse frank.

In 1988 was er een nieuwe hausse aan internationale pressie op Zwitserland. Er kwam een grote gift aan het Internationale Rode Kruis, nota bene een organisatie die had geweigerd zich uit te spreken tegen de holocaust. Israel Singer kan er nu nog kwaad om worden: 'Het was een gift van degenen die er geen eigenaar van waren aan degenen die het niet verdienden.'

Mede door druk van het Amerikaanse Congres is er momenteel een internationale commissie aan het werk onder leiding van de voormalige president van de Amerikaanse federale bank, Paul Volcker. Deze commissie is 'volledige medewerking' toegezegd door de Zwitserse bankiers, maar ze heeft al wel de waarschuwing gekregen dat bij de jongste computerisering van de banken veel oude gegevens zijn weggegooid.

Meer over