Bang voor de beschermer

De armoede is niet het enige dat de inwoners van Boedjonnovsk binnenhoudt, het is ook angst. In 1995 hielden Tsjetsjenen er dagenlang tweeduizend bewoners gegijzeld in het ziekenhuis....

De Russische troepen kwamen begin januari Boedjonnovsk binnenvallen. De verbouwereerde inwoners van het provinciestadje in het zuiden van Rusland zagen de eenheden, die uit Tsjetsjenië werden teruggetrokken, binnenrijden en hun tenten opslaan aan de rand van Boedjonnovsk. Behalve hun besmeurde tanks, pantserwagens, kanonnen en tonnen munitie brachten de troepen de geur van de oorlog met zich mee.

Het Tsjetsjenië-aroma valt op te snuiven in de bar van hotel Chimik (de Chemicus), waar de Russische militairen doorgaans hun vertier zoeken. Ze hangen verveeld achter de tafeltjes en ondergaan gedwee de uitwerking van enkele flessen wodka. Er wordt wat gebrald, maar indruk maken zit er deze avond niet in: de dames voor wie zij zijn gekomen, laten het afweten.

Het personeel slaat het tafereel met gemengde gevoelens gade. Een paar weken geleden raakten tien bezoekers gewond, toen een dronken soldaat een granaat in de bar gooide na een ruzie met de diskjockey. Sindsdien is het soldatenvolk niet erg welkom meer bij Chimik, maar hen helemaal weren, durft de uitbater niet aan: de militairen zijn kostbare klanten in deze stad, waar vrijwel alle bedrijven stil liggen en bijna niemand geld heeft.

's Avonds is het doodstil in de straten van het stoffige stadje, ook al is het weer zacht en ruikt de lucht naar bloeiende abrikozenbomen. 'Waarom zouden we uitgaan? We hebben toch geen geld om uit te geven', zegt Igor Zaikin.

Zijn vrouw verontschuldigt zich voor de schrale maaltijd die zij de gast voorzet: aardappelen en zelfgeplukte paddestoelen. Igor heeft het geluk dat hij bij de plastic-fabriek werkt - één van de weinige bedrijven in Boedjonnovsk die nog draaien - maar ook daar begint de productie te haperen.

Het bedrijf, ooit de grootste producent van polymeren en polyetheen in Europa, kreeg zijn grondstof (benzine) uit Tsjetsjenië. Maar sinds de oorlog in de Kaukasusrepubliek moet de fabriek de benzine van verre halen, waardoor de prijs flink oploopt. De afgelopen maanden draait de fabriek dan ook nog maar een week per maand en krijgen de arbeiders slechts een deel van hun loon uitbetaald.

Om het hoofd boven water te houden, zijn de Zaikins een boerderijtje begonnen in hun huis. Achter de kastdeuren klinkt het gepiep van honderden kuikens die onder wat peertjes rondscharrelen, en in de garage huizen zeventig pelsdieren die bestemd zijn voor een bontfabriek in Pjatigorsk.

De armoede is niet het enige dat de inwoners van Boedjonnovsk binnenhoudt, het is ook de angst voor de dronken militairen en voor een herhaling van wat hier neutraal 'de gebeurtenissen van juni 1995' genoemd wordt en waarover de meeste mensen liever zwijgen. Toen viel een legertje zwaarbewapende Tsjetsjeense strijders op klaarlichte dag het slaperige stadje binnen.

Het is nog altijd onduidelijk of de Tsjetsjenen op weg waren naar Moskou, maar door argwanende Boedjonnovsker politieagenten werden tegengehouden - zoals de heldhaftige lezing van de plaatselijke autoriteiten luidt - of dat Sjamil Basajev en zijn mannen het van meet af aan op het stadje gemunt hadden. In elk geval overvielen zij het politiebureau en trokken zij vervolgens ongehinderd door de stad. Zo'n vier uur lang waren de Tsjetsjenen heer en meester in Boedjonnovsk.

De Tsjetsjenen gingen de huizen af en dreven de bewoners de straat op. 'Wie tegenstribbelde, werd meteen neergeschoten', zegt Zjora, een bejaarde Armeniër. 'Ik wilde net naar buiten lopen om te kijken wat al dat lawaai betekende, toen ik mijn buurman hoorde schreeuwen: De Tsjetsjenen komen eraan! Ik wist nog net op tijd weg te komen, maar toen wij die avond terugkwamen, lag hij dood op de straat voor ons huis. Niemand durfde de straat op om hem weg te halen.' De buurvrouw was door de Tsjetsjeense strijders meegenomen.

De gijzelaars - mannen, vrouwen, maar ook bejaarden en kinderen - werden naar een plein gedreven en vervolgens in een lange kolonne naar het ziekenhuis gejaagd, dat inmiddels door het terreurcommando was ingenomen.

'We wisten niet wat er gebeurde. Van alle kanten werden er gewonden binnengebracht - burgers, maar ook gewonde Tsjetsjeense strijders - en tegelijkertijd stroomden er honderden angstige mensen binnen', zegt waarnemend geneesheer-directeur Pjotr Kostoetsjenko.

De patiënten en het personeel meegeteld zaten er zo'n tweeduizend man in het ziekenhuis vast, maar de autoriteiten weigerden dat te geloven. 'Toen ik de plaatselijke autoriteiten belde en hun vertelde dat er zo'n tweeduizend gijzelaars waren, lachten ze me gewoon uit. Dat kan niet, zeiden ze, dat moet je zeker van die Tsjetsjenen zeggen. Ze wilden me domweg niet geloven.'

Op datzelfde ongeloof stuitte Kostoetsjenko de tweede dag van de gijzeling opnieuw, toen Basajev dreigde vijf gijzelaars te executeren als er geen journalisten naar het ziekenhuis werden gestuurd. De autoriteiten weigerden de journalisten echter door het kordon rond het ziekenhuis te laten. Pas nadat Basajev vijf gijzelaars had laten doodschieten - een van hen was de man van een verpleegster die naar het ziekenhuis was gekomen om te kijken waar zij bleef - mochten de journalisten er eindelijk door.

Maar zelfs aan de verhalen waarmee de journalisten terugkwamen uit het overvolle ziekenhuis hechtten de autoriteiten geen geloof. 'Ze bleven maar volhouden dat er bijna evenveel gijzelaars als terroristen waren. Op die manier wilden ze het voor zichzelf makkelijker maken het ziekenhuis te bestormen', zegt Kostoetsjenko.

Op de vierde dag werden de gijzelaars 's ochtends vroeg opgeschrikt door explosies en een regen van inslaande kogels en granaten. Vijf uur lang beschoten Russische troepen het gebouw met zware mitrailleurs, terwijl de wanhopige gijzelaars met witte lakens uit de ramen zwaaiden en om genade gilden. 'De Tsjetsjenen dwongen de gijzelaars voor de ramen te gaan staan en te schreeuwen: Niet schieten! Niet schieten, anders gaan we allemaal dood! Het was heel duidelijk te horen, maar het schieten ging maar door', zegt de chirurge Vera Tsjepoerina.

'Het was een hel. Iedereen gilde en je zag overal bloedende mensen rondkruipen of op de grond liggen. Er brak zelfs brand uit in het gebouw, maar die wisten we te blussen. Uiteindelijk zijn Kostoetsjenko en ik naar Basajev gegaan en hebben we gezegd: laat ons naar buiten gaan, dan zullen we proberen hen over te halen op te houden met schieten', vertelt ze.

Terwijl de kogels hun om de oren vlogen, staken de twee artsen over naar de Russische kant, maar daar wilden de autoriteiten hen aanvankelijk niet ontvangen. 'Toen we Jegorov (de minister die de leiding had over het crisisteam) eindelijk te spreken kregen, zei hij meteen dat de bestorming hoe dan ook door zou gaan, want 'met bandieten praat je niet'. Op de vraag of ook alle gijzelaars dan maar gedood moesten worden, gaf hij geen antwoord. Het was duidelijk dat een mensenleven geen cent waard was voor hen.'

Op aandringen van de mensenrechtenactivist Kovaljov gaf premier Tsjernomyrdin toch opdracht de bestorming te staken. Anderhalve dag later lieten de Tsjetsjenen de meeste gijzelaars vrij, nadat Moskou beloofd had de gevechten in Tsjetsjenië te staken. In een lange stoet bussen vertrokken de strijders met een deel van hun gijzelaars en een koelwagen met de lijken van hun gesneuvelde kameraden uit Boedjonnovsk.

Het zwaargehavende ziekenhuis is inmiddels opgeknapt, maar de herinnering aan de gijzelingsactie, waarbij 130 mensen om het leven kwamen, doet nog steeds pijn. De verpleegster die mij naar de afdeling chirurgie brengt, neemt de route buiten om het gebouw. De gangen in het gebouw probeert ze zoveel mogelijk te mijden. Als ze daar loopt, ziet ze nog steeds al die wanhopige patiënten en gijzelaars voor zich, vertelt ze.

'Veel personeelsleden zijn weggegaan omdat ze de herinnering niet konden verdragen', zegt chirurge Tsjepoerina. Zelf heeft ze niet zoveel moeite gehad de gruwelijke ervaringen te verwerken. 'Wij artsen hadden het makkelijker, omdat we geen tijd hadden om bang te zijn. We waren de hele tijd bezig de patiënten te helpen en gewonden te opereren.'

Maar ze voelt nog wel steeds een diepe band met de andere ex-gijzelaars. 'Vrijwel iedereen in deze stad heeft op de een of andere manier wel geleden onder de gijzelingsactie, maar toch is er een kloof tussen de mensen die binnen hebben gezeten en de mensen buiten. Die zullen ons nooit helemaal kunnen begrijpen.'

Dat bleek al meteen toen de uitgeputte gijzelaars het ziekenhuis uitkwamen en meteen hun woede uitstortten over de Russische commando's en over hun wachtende verwanten. Waarom hadden zij niets gedaan om een einde te maken aan de bestorming?

Tjsepoerina: 'Er werd toen gezegd dat wij aan het bekende ''gijzelaarssyndroom'' leden, dat we ons waren gaan vereenzelvigen met de terroristen, maar daar ben ik het niet mee eens. Natuurlijk waren de gijzelaars woedend over de bestorming van het ziekenhuis, vooral ook omdat die zo klungelig was aangepakt. Het regende kogels en er vielen doden en gewonden, maar verder gebeurde er niets.'

De angst voor de Tsjetsjenen, honderdtwintig kilometer verderop, zit er diep in. Langs de toegangswegen hebben zich her en der zwaarbewapende commando's ingegraven en langs de grens met Tsjetsjenië wordt een diepe geul gegraven, waarin mijnen komen te liggen.

Op die manier hopen de autoriteiten een einde te maken aan de golf van overvallen door zwaarbewapende bendes uit Tsjetsjenië waardoor de grensdorpen de laatste maanden geteisterd worden. Tegelijkertijd zijn de autoriteiten bezig de garnizoenen te versterken in Boedjonnovsk, Pjatigorsk en een andere reeks steden langs de Kaukasus.

Sommige inwoners van Boedjonnovsk zijn wel blij met de komst van de troepen, al vragen zij zich af waarom ze uitgerekend de 205ste gemotoriseerde infanteriebrigade op hun dak hebben gekregen. De brigade, die al tijdens de oorlog in Tsjetsjenië bekend stond als de dvestipjannaja brigade oftewel de 'tweedronkenvijfde brigade', maakte meteen haar naam waar in Boedjonnovsk.

'Vooral de eerste tijd was het één grote bende', zegt hoofdredacteur Ivan Pasko van de plaatselijke krant Vestnik Prikoemja. Overal in de stad zwalkten dronken militairen rond, die de straten onveilig maakten en passanten lukraak op een pak slaag trakteerden.

De soldaten van de 205ste introduceerden onmiddellijk wapens als wettig betaalmiddel in Boedjonnovsk. Voor een ritje met de taxi rekenden zij af met een paar handgranaten en de rekening in de bar werd voldaan met een paar blikken patronen of ander wapentuig.

De soldaten scheurden op hun pantserwagens door de stad en ruilden hun Kalasjnikovs voor een halve krat wodka. 'De stad is vergeven van wapens en munitie sinds de komst van de troepen uit Tsjetsjenië', klaagt Tsjepoerina. De afgelopen maanden zijn er al tientallen slachtoffers van de nieuwe 'overval' op Boedjonnovsk bij haar afdeling binnengebracht. Een van hen is een veertienjarig jongetje dat zijn vingers kwijtraakte toen een granaat die hij gevonden had ontplofte.

'Je kunt het die soldaten nauwelijks kwalijk nemen', zegt de chirurge mild. 'Dat zijn jongens die zelf uit de hel terugkomen en psychische schade hebben opgelopen. Maar de overheid valt wel wat te verwijten. Zulke jongens die uit de oorlog terugkomen, moet je naar huis sturen en niet ergens in een tentenkamp aan de rand van een vredige stad achterlaten.' Dat Moskou de Tsjetsjenië-veteranen uitgerekend naar Boedjonnovsk heeft gestuurd, vindt ze een staaltje van grove ongevoeligheid: 'Deze stad draagt al een trauma van de oorlog.'

De afgelopen weken begint het volgens Pasko iets rustiger te worden in de stad. Onder druk van de plaatselijke autoriteiten is de legerleiding begonnen het hardste volk naar huis te sturen: de kontraktniki, vrijwilligers die voor dienst in Tsjetsjenië hadden getekend. Om te voorkomen dat de kontraktniki in de stad blijven hangen om feest te vieren van hun afkoopsom worden de afzwaaiende militairen sinds kort onder escorte naar Mineralnye Vody gebracht en daar op het vliegtuig naar huis gezet.

Tot voor kort woonden de soldaten van de 205ste in een tentenkamp, maar nu is het ministerie van Defensie druk bezig een kazerne voor hen uit de grond te stampen. De plaatselijke bevolking is niet bijster enthousiast over het vooruitzicht dat de troepen hier permanent gelegerd worden.

'In de praktijk komt het erop neer dat Boedjonnovsk hen zal moeten onderhouden, omdat het ministerie geen geld heeft. De eenheden hebben nu al een schuld van ruim twee miljard roebel (drie miljoen gulden) aan de broodfabriek en het ziekenhuis', zegt Pasko. 'Veel mensen hebben het gevoel: eerst hebben de Tsjetsjenen onze stad verwoest en nu komen onze eigen soldaten haar nog kaalplunderen.'

Meer over