Balkenende moet eerst zijn karwei afmaken

Balkenende’s plaats is in Den Haag. Hij is architect en voorman van het kabinet. Hij moet zijn karwei afmaken, vinden Bas van der Vlies en Menno de Bruyne....

Eventjes zag het er tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen naar uit dat het kabinet-Balkenende zou worden onthoofd. Er doken geruchten op dat de premier de wijk zou nemen naar Europa. Er was een compleet draaiboek: Balkenende naar Brussel, Verhagen verhuist van Buitenlandse Zaken naar ‘het torentje’ en Eurlings van Verkeer en Waterstaat gaat resideren op Buitenlandse Zaken. Maar de premier deed de praatjes af als ‘flauwekul’.

Het is niet voor het eerst dat er geruchten gaan over een Nederlandse premier die getipt wordt voor een hoge Europese post. Kok, Balkenende’s voorganger, overkwam hetzelfde, evenals diens voorganger Lubbers. Zij maakten korte metten met alle speculaties: Kok zei ‘een contract te hebben met de kiezers’. Lubbers sprak woorden van gelijke strekking.

De vraag rijst nu of een minister-president er tussentijds tussenuit mág knijpen. Staatsrechtdeskundigen komen er niet helemaal uit. Naar de letter geredeneerd kun je zeggen: nergens staat dat het niet mag, dus mag het. Maar zo eenvoudig is het niet. Het staatsrecht bestaat namelijk niet alleen uit op schrift gestelde regels, maar voor een minstens zo belangrijk deel uit het ongeschreven recht.

Als we het verleden op dit punt bekijken, valt op dat het slechts hoogst zelden voorkomt dat een minister nog tijdens z’n ambtsperiode opstapt om elders te gaan werken. Let wel, het gaat hier om ‘gewone’ ministers. Van de ruim 500 die we er sinds 1848 hadden, veranderden een kleine twintig tijdens de rit van ‘baan’. Dat is 4 procent. Uit deze lage score laat zich al afleiden dat er een soort norm is die voorschrijft dat je de rit uitzit - afgezien natuurlijk van politieke averij en ziekte.

Bij enkele ‘vaandelvluchters’ kan een aantal ‘verzachtende omstandigheden’ worden aangevoerd. Ongeveer de helft ging weg toen het kabinet waarin ze zaten op zijn laatste benen liep. Met andere woorden: ze verlieten het schip in het zicht van de haven, toen het kabinet al feitelijk en/of formeel demissionair was. In deze gevallen vindt iedereen een vroegtijdig afscheid acceptabel en wordt er voor de resterende tijd ook geen nieuwe opvolger benoemd. Logisch.

Wat bij de beoordeling van de (on)betamelijkheid van een tussentijds vertrek van een minister mee weegt, is het antwoord op de vraag hoe lang iemand het land al heeft gediend. In de praktijk blijkt een minister die elders aan de slag gaat op compassie te kunnen rekenen als hij er al een aardig tijdje als bewindsman op heeft zitten. Om die reden was er niemand die moeite had met de benoeming in 1993 van minister Van den Broek tot Eurocommissaris. Weliswaar had Van den Broek nog ruim anderhalf jaar te gaan, maar hij had al elf jaren als minister gediend. Hetzelfde gold voor Sicco Mansholt, die Den Haag in 1958 inruilde voor Brussel, maar er toen al dertien jaar op had zitten als Landbouwminister. Dat de aard van de nieuwe ‘baan’ ook gewicht in de schaal legt, bleek toen de nog maar kort op het ministerspluche zittende De Hoop Scheffer van Buitenlandse Zaken in 2003 de hoogste NAVO-baas werd. Niemand maakte er een punt van.

Tot zover de norm voor ‘normale’ ministers. Nu de minister-president, de ‘mp’ zoals hij op het Binnenhof wordt genoemd. Met Balkenende’s vertrek stapt niet zomaar een minister op, maar de baas boven baas, en dat terwijl het schip van staat in buitengewoon zwaar weer is beland. De kapitein gaat altijd als laatste van boord, zeker bij storm. En als de mp ons de afgelopen maanden iets heeft duidelijk gemaakt, is het wel dat het vanwege economische vooruitzichten alle hens aan dek is.

Feit is dat het soortelijk gewicht van de minister-president de laatste jaren aanzienlijk is toegenomen. Balkenende is niet zomaar een minister, hij is om zo te zeggen de eerste de beste, het beeldbepalende gezicht en de naamgever van het kabinet, die in goede en slechte tijden namens de regering ‘het volk’ toespreekt.

Ook formeel staat de premier er iets anders in dan de overige bewindslieden. Balkenende werd door de koningin in 2007 hoogstpersoonlijk aangesteld als formateur. Hij heeft daarna alle ministers en staatssecretarissen aangezocht en ‘gekeurd’, híj heeft voor het optreden en het programma van ‘zijn’ ploeg verantwoording afgelegd in de volksvertegenwoordiging en hij voert nog steeds iedere maandagmiddag het overleg met het staatshoofd. Tegen die achtergrond is de vraag helemaal zo gek nog niet of zo’n move niet moet leiden tot nieuwe verkiezingen.

Eén keer eerder is het vertoond dat een eerste minister zijn steek aan de wilgen hing. Dat was in 1866, toen minister Meijer na vier maanden als gouverneur-generaal naar Nederlands-Indië vertrok. Meijer was de architect van het kabinet (‘de personificatie van de richting en de politiek van het kabinet’) en juist dat werd hem het meest aangewreven. Vier dagen lang debatteerde de Kamer. De zeeën gingen hoog. ‘Geen woorden voor’ zei de een, ‘onwaardig’ hekelde een ander. ‘Niet constitutioneel’, oordeelde een derde. Het scherpst was de antirevolutionair Keuchenius: ‘een lokaas voor politieke immoraliteit’.

Moraal van dit verhaal: laat Balkenende zijn karwei af maken.

Meer over