Bakken

De regen kwam met bakken uit de hemel en de hemel was zwart - zo vroeg was het nog. Toch moesten de kinderen naar school, en mijn oudste (14) vertrok monter als altijd - iPod ingeschakeld, jas slordig dichtgeknoopt, alsof het weer niet bestond....

'Fijne dag', riep ik haar na.

Terwijl de woorden mijn mond verlieten, realiseerde ik me datik me eigenlijk geen enkele voorstelling van haar dag kon maken.Oké, ze ging naar school. Daar zou ze drijfnat aankomen, maardat was kennelijk geen probleem. Ze had een proefwerk Grieks eneen SO Frans, besognes met vriendinnen, zakgeld om in de kantineeen broodje te kopen, misschien het plan om na afloop met haarclubje naar de Etos te gaan.

Maar verder?

Geen idee.

Ze sloeg aan het einde van de straat de hoek om, en weg wasze, opgelost in haar eigen leven. Een vaag gevoel dat het middenhield tussen trots en melancholie nam bezit van me. Gelukkig waser de regen, die ratelde vrolijk op mijn paraplu.

Daarna was het de beurt aan de jongste (12), die met nukkigetegenzin vertrok, bepakt en bezakt en met een boterham in dehand, voor in de auto: haar moeder ging haar naar de andere kantvan de stad brengen.

'Fijne dag', riep ik weer.

Geen antwoord natuurlijk.

Ik legde me daar maar bij neer, want ik wist dat ze aan heteinde van de middag met een vrolijk 'Hoi pap' terug zou keren inhuis, en aan dat vooruitzicht had ik genoeg. Het gezegde wil dateen kinderhand gauw gevuld is, maar voor de ouderlijke hand geldtvanaf een bepaald moment hetzelfde en hoe ouder je met z'n allenwordt, hoe erger dat schijnt te worden.

Even later liep ik met de hond door de regen. Na een paarstraten troffen we een jonge moeder in een flitsend regenpak diein een verhitte discussie was met haar zoon, een jongetje van eenjaar of zes dat weigerde achterop haar fiets te klimmen. Ook hijwas van top tot teen in regenkleding gestoken en op zijn rug hadhij een Eastpakje met een rood knipperlicht eraan.

'Schiet nou op', riep de moeder wanhopig, 'hou op metargumenteren!'

Dat was een zin die me als muziek in de oren klonk en ik hieldonmiddellijk halt. Zet hem op, wilde ik het jongetje toeroepen,maar zijn moeder zag me staan, glimlachte (de regen stroomde overhaar wangen) en zei goedemorgen.

'Goedemorgen', zei ik terug.

Een moment van beschaving.

Het jongetje keek nu ook om, een tengere knaap met donkereogen in een klein, bleek gezichtje. Een geboren debater, dat wasduidelijk. Hij leek te aarzelen: ging hij zijn verzet staken nuer een toeschouwer was, of ging hij juist een versnelling hoger.

Ik hoopte het laatste, want een argumenterende zesjarige, datkan schitterend zijn, maar hij koos voor het laatste en klomlangzaam bij zijn moeder achterop. Mij leverde dat haar dankbareen vermoeide glimlach op, en even later fietste ze slingerendweg. Ik keek het rode knipperlicht op haar zoons rug nog even na,en vervolgde toen mijn wandeling door de regen, die nog steedsmet bakken uit de hemel kwam.

Meer over