'Auschwitz is één grote schreeuw om tolerantie'

De Russen bevrijdden op 27 januari 1945 Auschwitz, 'het grootste massagraf' ter wereld. Anderhalf miljoen mensen, van wie 90 procent joden, werden hier vermoord....

ANET BLEICH

Van onze verslaggeefster

Anet Bleich

OSWIECIM (Auschwitz)

Het was een koude maar zonnige dag, de achttiende januari. Dat wil zeggen: deze achttiende januari. Vijftig jaar geleden moet het hebben gesneeuwd. Nazi-Duitsland had de Tweede Wereldoorlog bijna verloren, de honderdste infanterie-divisie van het Sovjet-leger, onder generaal Petrenko, bevond zich nog maar enkele kilometers van het concentratiekamp Auschwitz-Birkenau.

Een week later bereikten de Sovjet-militairen Auschwitz. Ze bevrijdden er zo'n achthonderd overlevenden, in de ziekenbarak van Birkenau. Velen van hen bezweken de dagen en weken daarna alsnog.

Onder degenen die daar werden bevrijd was Waclaw Dlugoborski, tegenwoordig hoogleraar economische geschiedenis te Wroclaw, toen ziekenbroeder. Als zeventienjarige jongen zat hij bij het Poolse verzet (de Armija Krajowa), maar werd gepakt en naar Auschwitz gestuurd. Nu is hij daar weer, een keurige, grijzende man, om een internationale conferentie van bevrijders en overlevenden bij te wonen. Hij gaat voor naar de barak in Birkenau waar hij maanden in quarantaine doorbracht. Het is er donker binnen, een soort stal, met houten schotten.

De meeste gevangenen die in januari '45 nog in leven waren, hadden niet het geluk in het kamp te worden bevrijd. Zo makkelijk liet de SS haar prooi niet los. Op 18 januari - zoals gezegd, het was ijskoud - dreven de SS-bewakers 58 duizend mannen, vrouwen en kinderen het kamp uit. Ze moesten te voet - lopend, rennend - naar Duitsland, naar andere kampen, Buchenwald, Ravensbrück. Onder de deelnemers aan die dodenmars was ook mijn tante, Esther.

Van de uitgeputte, verzwakte gevangenen kwam onderweg ongeveer één op de vijf om. Elie Wiesel beschrijft in zijn boek Nacht de kwellingen, onderweg. Geen water, geen eten en maar dóór, dóór, dóórlopen (Later ging men ook een stuk in de bekende overvolle goederenwagons). Wie het niet vol kon houden, werd door de SS afgemaakt of door voortjakkerende lotgenoten onder de voet gelopen. Aan de kant van de weg, in de sneeuw, lagen de doden.

Birkenau, januari 1995. De zon schijnt op het monument en op het smalle stuk perron ervóór, de zogeheten Rampe, met links een stukje spoorlijn. Verder naar achteren bevinden zich de ruïnes van de crematoria. Als je de blik weer op de ingang richt, zie je voor je rijen barakken en links en rechts hoge prikkeldraadversperringen en wachttorens.

Dat prikkeldraad intrigeert me. Ik wil er eigenlijk naar toe om te voelen of het nog elektrisch is geladen, maar durf niet, al weet ik dat het niet zo is. Al vroeg in de geschiedenis van het kamp, op 14 juni 1940, begroette de SS'er Fritzsch zijn gevangenen als volgt: 'Jullie zijn niet in een sanatorium terechtgekomen, maar in een Duits concentratiekamp. De enige manier om hier weg te komen, is via de schoorsteen. Als iemand daar bezwaar tegen heeft, kan hij nu meteen het prikkeldraad inlopen.' Heel wat gevangenen hebben later in hun vertwijfeling dat advies van Fritzsch opgevolgd en via het schrikdraad voor de genade van de dood gekozen.

Het schrikdraad waarover Fritzsch het had, was dat van Auschwitz, niet van Birkenau. Er bestond tussen de door enkele kilometers van elkaar gescheiden onderdelen van het KL (Konzentrationslager) een taakverdeling.

Het kamp moest vanuit Duits perspectief drie taken vervullen: exemplarische bestraffing van tegenstanders van het nazi-regime, het optimaal uitbuiten van de arbeidskracht van de gevangenen voor de oorlogsindustrie en, vanaf 1942, het uitroeien van de joden. Het zwaartepunt van de politieke repressie en de dwangarbeid lag in Auschwitz (en nog een derde kamp-onderdeel: Monowitz), dat van de massale vernietiging in Birkenau.

Het onderscheid mag niet té rigide worden gehanteerd, want ook in Auschwitz was een gaskamer, waar onder meer een groep Sovjet-krijgsgevangenen bij wijze van experiment (de nazi's wilden weten of dat gas bevredigend werkte) aan Zyklon B is blootgesteld. Terwijl anderzijds degenen die de selectie bij aankomst waren doorgekomen in of nabij Birkenau dwangarbeid moesten verrichten. Daar zaten dus voor het overgrote deel joden uit het door Duitsland bezette deel van Europa, maar er waren ook zigeuners, Polen, Russen en anderen.

Het perron, de Rampe, in de zon, vol glinsterende sneeuw. Hier vonden ze plaats, die overbekende selecties. Hier stond dr Mengele met zijn assistenten. Er werden niet meer zulke uitvoerige welkomst-toespraken gehouden als door Fritzsche. Het ging heel praktisch toe.

Eerst werden de mannen en vrouwen van elkaar gescheiden. Dan kwam de eigenlijke selectie. De kinderen, de ouderen, de zieken en wie verder niet veelbelovend leek als dwangarbeider moesten naar rechts en werden door medegevangenen, zogeheten Kapo's de gaskamer ingejaagd. Natuurlijk pas nadat ze zich hadden uitgekleed en al hun spullen hadden achtergelaten. Boven het kamp, zeggen degenen die erbij geweest zijn, hing permanent de lucht van verbrand vlees.

Mijn oma van moederskant en tante Anna en Ella zijn meteen na aankomst het gas ingegaan. Dat weet ik via tante Esther, die de selectie en het kamp levend is uitgekomen.

Hoe het mijn vaders familieleden precies vergaan is, is me minder duidelijk. Tante Regina en haar kindje van een paar jaar oud hadden geen schijn van kans. Opa en oma waren natuurlijk de jongsten niet meer. Tante Rosa en - maar daar ben ik niet helemaal zeker van - oom Nuchim hebben die eerste selectie wel doorstaan. Overleefd hebben ze de oorlog niet, al heeft tante Rosa de bevrijding nog net meegemaakt.

Ook Roosje en Hans (zusje en broer van m'n schoonmoeder) zijn toen vermoord, net als Max (broer van m'n schoonvader). Roosje en Hans niet in Auschwitz, trouwens, maar in Sobibor, want zoals bekend waren er meer vernietigingskampen: Treblinka, Belzec, Chmelno, Majdanek en nog anderen. De procedures leken op elkaar.

M'n ouders en schoonouders konden zich, door te vluchten of onder te duiken, aan het hen toebedachte lot onttrekken. Anders dan haar broer en zusje besloot Carry, mijn schoonmoeder, het risico van onderduiken - dat was strafbaar - te nemen, omdat Polen haar zo koud leek om 's winters te werken. (De slachtoffers werd van tevoren, in de landen van herkomst, wijsgemaakt dat ze naar een werkkamp gingen). Ze is gered dankzij haar angst voor koude voeten.

Toch maar een paar cijfers over Auschwitz, al zijn die van een orde van grootte dat geen mens zich daarbij een echte voorstelling kan maken. Anderhalf miljoen mensen zijn in Auschwitz-Birkenau om het leven gebracht. Van hen was 90 procent joods. Afkomstig uit Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije, Roemenië, Griekenland, Nederland, België, Frankrijk, Italië, Duitsland, enz. Ook 70 duizend Polen en tienduizend zigeuners zijn er vermoord.

Sinds 1947 is Auschwitz-Birkenau een museum. Het aantal doden werd aanvankelijk op vier miljoen geschat, maar dat is volgens recente onderzoekingen onjuist. Sinds 1989 wordt door de Poolse autoriteiten meer aandacht besteed aan het feit dat de meeste slachtoffers joods waren. Dat feit was onder het communistische regime onderbelicht gebleven.

Het zwaartepunt van het museum bevindt zich op het terrein van Auschwitz, achter de poort met 'Arbeit macht frei'. Er zijn nu ook vergevorderde plannen om in Birkenau meer te doen dan alleen het monument bij de Rampe. Er komen gedenkplaten en zwarte stenen ('Dit', zegt conservatrice Teresa Swiebocka, 'is tenslotte het grootste massagraf ter wereld') met uitleg over de belangrijkste gebeurtenissen in het kamp: de - mislukte - opstand, eind '44, de vluchtpogingen, executies.

De teksten zullen in het Engels, Pools, Iwriet en op sommige plekken ook in het Jiddisch zijn. Het is de filosofie van de museum-directie om Auschwitz-Birkenau als één geheel te zien om zo smakeloze discussies ('was Auschwitz niet méér Pools en Birkenau méér joods?') tegen te gaan.

Professor Rimaszewski, die namens de Poolse regering de herdenking op 26 en 27 januari voorbereidt, kan er kort over zijn. 'De geschiedenis van dit kamp', zegt hij, 'leidt tot één grote schreeuw om tolerantie.'

Aan de buitenkant van één van de paviljoens op het terrein van Auschwitz staat het misleidend sobere zinnetje: 'bewijzen voor de misdaden'. Het eerste wat je ziet, als je daar binnenstapt, zijn schoenen: stapels en stapels schoenen; herenschoenen, laarzen, sandalen, pumps. Even verderop de brillen. Honderden of duizenden brillen.

Het maakt op mij nog meer indruk dan de galg en de pijnbank, een paar paviljoens verderop. Al liegt de mededeling van een of andere SS-Unterscharführer dat een gevangene veroordeeld is tot 15 (nee, 15 is doorgestreept en vervangen door 20) zweepslagen wegens roken bij het werk er niet om.

Dan is er nog die vitrine met zo maar wat kleren. M'n blik wordt gevangen door een gebreid wit baby-truitje, met een bijpassend rokje. Een leuk rokje. Met hartjes erop. Rode, roze, blauwe hartjes.

Meer over