Artikel 23 is terecht niet heilig

Islamitisch onderwijs vertraagt integratie en emancipatie. Daarom moet artikel 23 van de Grondwet wijken, vinden..

Patrick van Schie en Sabine Bierens

Er is nogal wat commotie ontstaan over de poging van de VVD-Tweede Kamerfractie om te voorkomen dat het onderwijs op bijzondere scholen met een orthodoxreligieuze grondslag de integratie belemmert en de rechtsstaat ondermijnt. Het Kamerlid Clemens Cornielje distantieerde zich openlijk van het fractiestandpunt. Hij verklaarde artikel 23 van de Grondwet, waarin de onderwijsvrijheid en de gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs zijn vastgelegd, tot een liberaal artikel, dat hij altijd in zijn borstzak draagt. Enkele met de onderwijssector verweven VVD'ers onder aanvoering van oud-staatssecretaris Nel Ginjaar-Maas kapittelen in een manifest de fractie vanwege de ruimte die Ayaan Hirsi Ali krijgt voor wat 'haar persoonlijke aanval op de vrijheid van onderwijs' wordt genoemd.

Ginjaar-Maas c.s. vinden dat in artikel 23 een beginsel van 'echte liberalen' is neergelegd. Zij menen daarmee prat te kunnen gaan op 'een lange traditie' die terugvoert tot Haya van Someren. Wie zich beroept op een traditie doet er goed aan terug te gaan tot de bron, dus de tijd waarin artikel 23 tot stand kwam. De onderwijsvrijheid stamt uit 1848, de gelijkberechtiging en -bekostiging van het bijzonder onderwijs uit 1917. Toen was Haya van Someren nog niet eens geboren. Overigens was deze te waarderen VVD-politica helemaal niet zo gecharmeerd van het bijzonder onderwijs. Zij bestreed bijvoorbeeld in 1959 een interpretatie van artikel 23 waarin aan het bijzonder onderwijs altijd dezelfde rechten als aan het openbaar onderwijs werden toegekend.

Het waren niet de liberalen die in 1917 de gelijkberechtiging en -bekostiging van het bijzonder onderwijs voorstonden. Dit is hun door de confessionelen afgedwongen. Die weigerden namelijk al decennialang in te stemmen met de door liberalen en socialisten gewenste uitbreiding van het kiesrecht, waarvoor grondwetsherziening nodig was, als zij niet in ruil daarvoor begunstiging van het bijzonder onderwijs kregen. Met deze chantagepolitiek wisten de confessionelen in 1887 de deur te openen naar overheidssteun voor het bijzonder onderwijs. In 1917 haalden zij de hele buit binnen.

De liberalen stemden destijds niet van harte in met de bekostiging op gelijke voet van het bijzonder onderwijs. Sommige liberalen wilden een einde aan de schoolstrijd maken, in de hoop dat de confessionelen uiteen zouden vallen. Daarin vergisten zij zich deerlijk. Andere liberalen betaalden met tegenzin deze prijs om het algemeen mannenkiesrecht binnen te halen. Zij waren beducht dat het openbaar onderwijs nu door de bijzondere variant zou worden verdrongen.

De confessionelen wonden er ook geen doekjes om: zij waren uit op de vernietiging van het openbaar onderwijs. Zoals de antirevolutionaire voorman Kuyper in 1904 zei: 'We hebben nu een derde van de schooljeugd van Nederland op onze scholen, waar de naam van Jezus Christus genoemd wordt...; in 't diepst Uwer ziel moet heel Uw volk U te lief zijn, om in uiterste consequentie niet op te eischen drie derden van ons vaderland voor den eere en den naam van Christus.' Veel liberalen vreesden dan ook dat gemeentebesturen met een confessionele meerderheid de openbare scholen die onder hen vielen zouden opdoeken of zouden omzetten in bijzondere scholen. De ontwikkelingen na 1917 gaven hun in veel gevallen gelijk.

Waarom maakten deze liberalen zich zorgen om het openbaar onderwijs? Was het bijzonder onderwijs dan niet een mooi voorbeeld van de werking van het particulier initiatief, waar Ginjaar-Maas c.s. zo lyrisch over schrijven? De liberale staatsman Thorbecke heeft inderdaad in de Grondwet van 1848 het beginsel van de vrijheid van onderwijs neergelegd. Dit betekende voor Thorbecke dat onderwijs eigenlijk geen regeringszaak was, wat óók inhield dat het bijzonder onderwijs particulier moest worden gefinancierd.

Bovendien was er ten tijde van Thorbecke nog geen leerplicht. Later in de negentiende eeuw gingen liberalen het belang van die leerplicht inzien, die het welzijn van de natie én van het kind diende. Daarmee werd uit liberaal beginsel 'inbreuk' gemaakt op het veelal onaantastbaar geachte recht van ouders om uit te maken wat goed was voor hun kind. Liberalen vonden toen en vinden nog steeds – ook Ginjaar-Maas c.s. naar wij hopen – dat het recht van het kind op goed onderwijs gaat boven de ouderlijke macht als die ertoe leidt dat het kind van zulk onderwijs verstoken blijft.

Liberalen houden de keuzevrijheid van het individu hoog in het vaandel. Het is daarom van het grootste belang dat een kind vertrouwd raakt met een pluriformiteit aan opvattingen en geloofsovertuigingen en zijn of haar kritische zin ontwikkelt, zodat het later als volwassen burger een eigen levenspad kan gaan. Eenmaal volwassen kan die burger desgewenst voor een orthodoxe godsdienst kiezen, als die keuze maar zelf is gemaakt uit een veelheid van opties. De openbare school maar ook veel tegenwoordig verwaterde christelijke scholen bieden het kind daartoe de mogelijkheid. Maar fundamentalistische scholen houden kinderen geestelijk gevangen in de kluisters van starre dogma's, die soms ook nog eens lijnrecht indruisen tegen de beginselen van onze rechtsstaat.

Ook de meeste christelijke bijzondere scholen waren rond 1917 eenzijdig gericht op het kweken van discipelen van het 'juiste' geloof. Het in 1917 tot stand gekomen grondwetsartikel 192 – het huidige artikel 23 – heeft een halve eeuw lang de verzuiling in stand gehouden en versterkt, ten koste van de vorming van gemeenschapszin en vooral van de emancipatie van veel individuele burgers van protestantse of katholieke huize tot burgers die hun leven geheel vorm kunnen geven naar eigen inzicht. En in die gevallen was er nog sprake van een gemeenschappelijke taal en van gedeelde historische ervaringen.

Bij moslims uit gezinnen met een niet-westerse achtergrond is de afstand tot de cultuur van de andere Nederlanders om te beginnen al groter. Als zij dan ook nog fundamentalistisch onderwijs volgen duurt hun integratie en emancipatie nóg langer, als die op deze manier al tot stand komt. Kinderen van islamitische huize hebben echter recht op dezelfde ontplooiingsmogelijkheden als andere Nederlandse kinderen. Voorzover artikel 23 dit vrijheidsstreven in de weg staat, kunnen liberalen op grond van hun traditie én hun beginselen de belemmerende bepalingen gerust overboord gooien.

Meer over