Art Ensemble koestert zich in Caribisch zonnetje

Een bejaard circuspaardje verschijnt nog eenmaal in de piste en springt, enigszins stram maar toch niet zonder gratie, hopla door de brandende hoepel....

Maar zie, opeens is daar Coming Home Jamaica, een behaaglijk bericht van vier bijna-zestigers die hun botten warmen in een Caribisch zonnetje. Van engagement valt niet veel meer te bespeuren. De stukken zijn zonder gêne vernoemd naar zoete mixdrankjes (Strawberry Mango, Lotta Colada; een drankenfabrikant trad op als sponsor), en klinken als variaties op oudere, beter uitgewerkte ideeën.

Wie het Art Ensemble niet eerder hoorde, kan beter beginnen met strijdvaardige platen als Urban Bushmen (1980). Maar wie Lester Bowie, Malachi Favors, Roscoe Mitchell en Don Moye al die jaren trouw bleef, zal toch ook hier af en toe iets van de oude magie ervaren.

Het door Favors en Moye voortgestuwde Mama Wants You opent met onnavolgbaar stamelende babypraat uit Lester Bowie's trompet. En zulke geheimzinnig zingzangende thema's als Odwalla hoor je ook van geen enkele andere band. Het maakt het contrast met het plichtmatige restmateriaal des te knarsender.

Het kwintet zegt 'much more in store' te hebben. Als na de retourvlucht uit Kingston ook de zelfkritiek terugkeert, is dat verheugend nieuws.

Saxofonist Joseph Jarman, een van de oerleden van het Art Ensemble of Chicago, is tegenwoordig een boeddhistische monnik met een eigen tempel in Brooklyn. Voor de reünie op Jamaica bleek hij niet te porren, wel doet hij mee aan de formatie Bright Moments rond veteraan-slagwerker Kahil El'Zabar. Ook Return of the Lost Tribe staat danig in het teken van de naderende oude dag.

'We really need to make this statement now', zegt de leider, 'because past this age, the physical ability won't be there anymore.'

Een treurigstemmende zin, zeker omdat het nooit erg virtuoze saxofoonkoppel Jarman/ Kalaparusha Maurice McIntyre inmiddels wel erg vaal en onzeker blijkt te intoneren. Onverminderd robuust klinkt echter de contrabas van Malachi Favors. Samen met El'Zabars jagende slagwerk excelleert hij in Kudus, een ouderwets jazzgedicht waarin Jarman met veel love! en rejoice! de geest krijgt.

Van oudsher traden de Art Ensemble-leden ook met eigen groepen op. Lester Bowie is toe aan de zoveelste gedaante van zijn koperorkest Brass Fantasy, dat funk en pop mengt met jazz en satire. Na het gedreven live-album The Fire This Time (opgenomen daags na de rassenrellen in Los Angeles) is The Odyssey een flinke teleurstelling. Hoe leuk is een 'ironische' versie van Don't Cry for Me Argentina? Ook met puffende tuba's en klepperende castagnetten blijft het een suffe melodie.

Solidere kost biedt altist Roscoe Mitchell op Nine to Get Ready, opgenomen (met royale galm) in een vreemde maar mooi uitpakkende bezetting van twee piano's, twee bassen en twee drummers, plus trompettist Hugh Ragin, trombonist George Lewis en de leider op allerhande fluiten en saxofoons.

In het Art Ensemble is Mitchell de man van de ongenaakbare, kale vormen. Maar deze niet snel te doorgronden componist kan ook teder en zelfs uitbundig zijn. Het flonkerende, gestaag aan- en afvloeiende Leola - een treurlied uit een andere wereld - is een voorbeeld van het eerste; de vrolijke huppel-swing van Bessie Harris demonstreert weer een ander Mitchelltrekje: zonnige levenslust, die zó verbeten doorduwt dat je er toch een beetje koud van wordt.

Meer over