Arjan Peters

Om goed te functioneren als paus is een gewisse mate van wereldvreemdheid een pluspunt. Dat leid ik af uit De pausen van de Engelse historicus John Julius Norwich, het verslavende standaardwerk waarin ze allemaal behandeld worden, vanaf Petrus tot en met Benedictus XVI. In al die eeuwen is er welbeschouwd één keer een man als u en ik tot paus benoemd. Johannes Paulus I, die in 1978 aantrad, en die over het Vaticaan opmerkte dat daar aan twee zaken een schrijnend tekort was: 'eerlijkheid en een goede kop koffie'. Na een bewind van drieëndertig dagen lag deze paus dood in zijn bed. Misschien vermoord. Geloof ik graag. Het ontbrak hem aan excentriciteit, en dat wordt je in die surrealistische functie fataal.

Naar twee pausen was ik het nieuwsgierigst. Eerst onze eigen paus Adrianus (ofwel Hadrianus VI) uit Utrecht. Welnu, in twee pagina's serveert Norwich hem af. Ruim een jaar heeft mijn naamgenoot in Rome de lakens uitgedeeld, januari 1522-september 1523, maar Italiaans sprak hij niet, zijn Latijn was onverstaanbaar, kunst en architectuur 'interesseerden hem geen zier: hij dreigde de witkwast te halen over de hele Sixtijnse kapel'. Niet iets om trots op te zijn, maar excentriek is het wel, en daarom goed. Toen Adrianus de geest gaf, slaakte iedereen een zucht van opluchting. Tot zover de Hollandse bijdrage aan het pausdom, een ambt waarnaar je niet kunt solliciteren, en dat je maar hebt te vervullen als je bent uitverkoren.

Over de andere die ik meteen opzocht, omdat mijn middelbare school in Beverwijk naar hem was vernoemd, Pius X (1903-1914), schrijft Norwich deze schitterende zin: 'Hij was te rustig, te nederig, te heilig en juist die heiligheid grendelde zijn geest hermetisch af voor originele gedachten.'

De literatuur kent trouwens nóg een paus, die niet is terug te vinden in de studie van Norwich: Hadrianus VII, een Engelsman wiens pontificaat één jaar zou duren: van St. Jorisdag ofwel 23 april 1903 tot St. Jorisdag 1904, toen hij door een terrorist werd doodgeschoten.

Hadrianus VII is de titel van een roman uit 1904 van Frederick Rolfe, een man die met iedereen ruzie maakte en die overal werd gedwarsboomd. In dat meesterlijke boek (in 1978 vertaald door Joyce & Co) verbeeldde Rolfe zich hoe het óók had kunnen gaan, als hij niet was tegengewerkt om priester te worden: de Engelsman Arthur Rose krijgt bezoek uit Rome. Hem wordt gevraagd of hij zijn naasten lief heeft. 'Eerlijk gezegd verafschuw ik hem', antwoordt Rose, 'en haar. De meeste mensen zijn afstotelijk voor me omdat hun uiterlijk wanstaltig is: meer mensen omdat hun optreden wanstaltig is: veel mensen omdat hun geest wanstaltig is.'

Die moeten we hebben, denken ze in Rome. Rose wordt Dienaar van de dienaren van God, en als ze hem op de roodfluwelen zetel hebben geplaatst, vragen ze hem hoe hij zal heten. Onmiddellijk begint Rose in de pluralis majestatis te spreken: 'De vorige Engelse Opperpriester was Hadrianus de Vierde: de huidige Engelse Opperpriester is Hadrianus de Zevende. Het behaagt Ons; en zo, op Onze Eigen ingeving, beschikken Wij.'

Er klonk laatst gemor toen Benedictus niet amicaal deed bij zijn bezoek aan Duitsland. Maar zijn gedrag is een overlevingsstrategie. Wanneer hij guitig had gevraagd om eerlijkheid en een goede kop koffie, zouden we nu geen Benedictus XVI meer hebben.

undefined

Meer over