Arjan Peters

Kijk! Dáár heeft De Génestet gewoond, riep Jan Siebelink een paar jaar geleden, toen we in zijn sportauto door de De Génestetlaan in het Gelderse Rozendaal stoven. En even later wees de schrijver naar een idyllische dodenakker: en dáár ligt hij begraven.

Braaf knikte ik, maar hoe het allemaal zat met die De Génestet wist ik niet. Een dominee-dichter uit de negentiende eeuw heeft nooit prioriteit. Deze week stond ik mij toe wijzer te worden. Je kunt me vanaf heden eindelijk vragen waarom er een De Génestet-bank staat in Bloemendaal (daar woonde zijn schoonfamilie), een De Génestetkerk in Delft (daar was hij predikant), en waarom ze hem niettemin in Gelderland als hun zoon beschouwen: in mei 1861 kwam hij naar Rozendaal, om daar al op 2 juli te sterven, vermoedelijk aan tering, 31 jaar oud.

Frappant: niet langer dan twee maanden is De Génestet, die Peter heette, ingezetene van Rozendaal geweest. Maar zie, een boekhandel te Velp heeft onlangs een mooie bloemlezing laten samenstellen: Levenslust en stervensmoed (Jansen en De Feijter; € 34,50), met sprekende beelden en verzen. In het bekende 'O land van mest en mist' zag ik ineens de modern klinkende combinatie 'vol jicht en parapluies'.

Het gedicht 'In de bibliotheek van een liefhebber' laat zien welke dreiging van boeken kan uitgaan, als het er veel zijn: Het is of gij uit alle hoeken/ Mij toebromt, o pedante boeken:/ 'Gij zijt geen boek, wat doet gij hier?' Dat beeld bracht me terug naar de Nicolaas Witsenkade in Amsterdam, zwaar geïntimideerd, terwijl de grote verzamelaar Michaël Zeeman even naar achteren was om een fles wijn open te trekken.

De tien kwatrijnen van 'Naar de natuur' zijn ook nog altijd groots. Op het kerkhof te Bloemendaal speelt de schooljeugd onbekommerd: 'Zij peilen de gapenden grafkuil/ Met onbezorgden zin,/ De een zegt: Het is een diepert!/ En de ander: Durf jij er in?'

Eerst nu begrijp ik dat Peter de Génestet een smartelijk bestaan leidde: alcoholische vader, moeder stierf aan tbc, Peter vader van vier kinderen, geloofscrisis, vrouw dood en een zoontje dood, toen hij ook dood. 'Liever kort en heftig leven mét de poëzie, dan lang en bedaard zonder haar', schrijft Mathijsen. Eerst las ik die zin verkeerd: natuurlijk, dacht ik, alsof er iemand bestaat die de voorkeur geeft aan lang en bedaard zonder haar leven. Maar dat bedoelt Mathijsen niet.

De Génestet had het predikambt opgegeven. Hij wilde een nieuwe weg inslaan met zijn poëzie, en sprak hierover met de predikant en criticus Conrad Busken Huet, las ik ook. Ah! Ik heb de Huet-biografie van Olf Praamstra.

En verdomd, daarin vond ik dat De Génestet en Huet 'op een koude namiddag in april 1861' door de Haarlemmerhout liepen, en dat Peter zei dat hij van de huiselijke poëzie af wilde. Het moest anders, méér en groter.

Ben je niet bang je grote publiek te verliezen, vroeg Huet. Ik kan het de mensen toch uitleggen, meende Peter.

Daar had Huet een hard hoofd in.

Daarop verhuisde Peter naar Rozendaal en stierf. Huet sprak op zijn begrafenis.

Hier zit een film in: over roem, twijfel en verdriet. Die wandeling door de Haarlemmerhout van de twee schrijvende vrienden verdient het net zo historisch te worden als die andere vermaarde wandeling: van Gustav Mahler en Sigmund Freud, door het centrum van Leiden, op 26 augustus 1910.

undefined

Meer over