Arjan Peters

Daar wil ik zijn, is de eerste gedachte bij het kijken naar het omslag van Ah Triëst. Op de zwart-witfoto staat 'het openhavenfront bij piazza Tommaseo, circa 1900'. En als ik zeg dat ik daar wil zijn, bedoel ik niet dat ik zin heb om naar Triëst te gaan, maar dat ik daar wil zijn - op die foto van Triëst, niet in het fullcolour heden maar circa 1900, tussen die mannen met hoeden op en lange jassen aan die de eerste zon van het jaar kennelijk nog niet vertrouwen.

Of anders terug naar 1824, dat mag ook. In dat jaar maakte de dichter August von Platen kennis met de zee, door in Triëst naar een als badhuis ingericht schip te gaan, dat door een loopbrug met de wal was verbonden. Uit zijn dagboek: 'De badkuipen kunnen door middel van een lattenbodem in zee zakken, terwijl men met een handvat de diepte kan regelen, dus stijgen of dalen. Het water blijft steeds door de openingen van de balustrade binnenstromen en daardoor raakt men in een soort golvende beweging. Hier nu vond mijn eerste kennismaking met zeewater plaats. Het is zo doorzichtig als glas en onder water ziet het lichaam eruit als spierwit marmer.'

Privé in zee gaan, in een als badhuis ingericht schip. Een onhaalbare droom is bijna twee eeuwen geleden werkelijkheid geweest.

Terug naar 1910 mag ook. De bundel Ah Triëst staat vol artikelen over schrijvers die in deze stad bijna buiten Italië, en tot 1918 de havenplaats van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, hebben vertoefd, en die grote achterwaartse jaloezie oproepen (Bas Lubberhuizen; € 19,90).

De pijnlijkste steek kreeg ik door te lezen over Italo Svevo, toentertijd welgesteld fabrikant (en wel bij een fabriek die verf voor onderwaterschepen maakte) en nog niet doorgebroken als schrijver, die Engelse les nam en bevriend werd met de twintig jaar jongere Ierse zuiplap James Joyce, die daar elf jaar heeft gewoond. Ze lazen elkaars werk, en discussieerden er ook over. In het artikel van Sana Valiulina over Svevo staat deze anekdote: 'Een tijdgenoot vermeldt dat hij een keer getuige was van een merkwaardig tafereel. Tijdens de bora, de koude valwind uit het noordoosten, die in de winter door Triëst raast en die soms zo hard kan zijn dat er langs de straten touwen worden gespannen, had hij twee silhouetten ontwaard.

'Onmiskenbaar Svevo en Joyce, in een hartstochtelijk gesprek verwikkeld, zonder zich ook maar iets van de bora aan te trekken, terwijl ze zich, vasthoudend aan touwen, diep voorovergebogen over de straat voortbewogen.'

Je kunt elkaar natuurlijk brieven schrijven, zoals Coetzee en Auster een paar jaar geleden hebben gedaan, en beginnen bij het thema vriendschap, zodat die vriendschap bijna programmatisch in de steigers wordt gezet. Maar een literaire vriendschap die in een enkel beeld zichtbaar wordt, zonder dat er met een publiek rekening wordt gehouden, dat is schitterend.

'Mocht je nog eens naar Triëst willen, dan moet je mij even bellen, want ik heb daar een paar héle leuke adresjes ontdekt', zei Michaël Zeeman me een paar jaar geleden. Als 1824, 1900 en 1910 allemaal niet lukken, zou dát dan misschien mogen: terug naar het Triëst van 2008, met een flinke bora, stevige touwen langs de straten, en dat Zeeman me dan onverstoorbaar uitlegt waar je bij Joyce de sporen van Svevo kunt vinden, en omgekeerd.

Naar dát Triëst wil ik morgen afreizen.

undefined

Meer over