Arjan Peters

Aan het lezen gaat bladeren vooraf.

ARJAN PETERS

Sommige mensen kunnen dat zo goed dat ze zweren bij de glimp en de snuffel. Ze lezen boeken alsof ze altijd aan de rand van een zwembad zitten en weifelen wat te doen: een duik nemen, een drankje bestellen of nog één alinea?

Benijdenswaardige ontspanning. Soms probeer ik het ook, maar na eventjes bladeren begin ik toch keurig bij de eerste pagina, zelfs als het een kunstcatalogus is, alsof ik een valse start goed wil maken. Het luchtige bladeren is mij niet gegeven.

Hoewel Judith Schalansky me op andere gedachten heeft gebracht. De jonge Duitse schrijfster, die vorige week te gast was op het Haagse festival Crossing Border vanwege haar tragikomische roman De lessen van mevrouw Lohmark, was zo vriendelijk voor mij ook haar schitterende debuut Fraktur Mon Amour te signeren, een catalogus van honderden alfabetten in gotische letters.

Dat vond ik nou leuk, zei ze, een boek maken dat je niet echt kunt lezen, maar waar je alleen in gaat bladeren.

En dat is waar, je kunt Schalansky's zwart-paarse bijbel met al die kunstzinnige alfabetten alleen maar bladergewijs genieten, en jezelf op die manier eindelijk genezen van de dwang om alles te lezen.

Want zoiets moet het zijn: vrees om iets te missen. Daarom wil ik altijd alles van het begin tot het einde lezen.

Eén dag heb ik het volgehouden: niet echt gaan lezen, maar je laten regeren door de steekproef. Laatst kreeg ik een cd-rom toegestuurd met de Concordantie op de Verzamelde gedichten van Gerrit Achterberg (AVE uitgever; € 25,-). Een woordenverzameling die verwijst naar het werk. Het kan een enkel woord zijn dat je naar een tekst stuurt.

X-stralen, zag ik bijvoorbeeld, om ze in de Achterbergbundel Limiet (1945) terug te vinden. Wie schreef er in 1945 al over x-stralen? En wie anders dan Achterberg was zo inventief om dat Robbert Dijkgraafachtige woord op te nemen in regels die weer uiterst dichterlijk klinken: 'D'x-stralen uwer ziel/stuiten alleen nog op/ de donkere eierstok/ van ongeboren poëzie'.

Daar liet ik het bij. Ik las niet eens het hele gedicht, maar hield het bij een nip van het genie. Zo ook bij het woord hilte, dat ik niet ken en uit de Concordantie haalde. Dat vond ik terug in Ondertrouw uit Achterbergs bundel Sneeuwwitje (1949): 'De stilte die buiten het huis bestaat,/ geeft aan het lege hart hilte en baat.'

Mooie regels, al weet ik nu nog steeds niet wat hilte is. Maar nu komt het: dat gééft ook niet. Later gaan we dat wel een keer opzoeken. Ik leg Achterberg weg en begin een beetje te bladeren in Josep Maria de Sagarra. Want zo doet de flanerende lezer dat.

Op Sagarra had Maarten Steenmeijer me vorige week in onze Boekenbijlage gewezen. De romans van deze Catalaanse schrijver zijn een taalfeest. Twee zijn er in korte tijd vertaald. Gelezen heb ik ze nog niet, maar wel stond ik mezelf twee amuses toe.

Uit Knoflook en pekel (1929) deze: 'De lucht brandt zijn lippen als een bouillon van peper en beton.' Wat een zin. Zou Sagarra al zijn vergelijkingen zo achteloos uit de lucht plukken? Gauw heb ik het boek gesloten, want de reflex om meteen vooraan te beginnen vlamde op.

Toen sloeg ik Sagarra's eerder vertaalde roman Privéleven (1932) open en las deze zin, over een nachtelijk etablissement: 'Veel paartjes deden voordat ze het nest in doken de Pingouin aan om een paar slokken waanzin of berusting in te drinken die fungeerden als krulsla en waterkers bij het treurige vlees van de copulatie.'

Wég was mijn nonchalance. Dit moet ik lezen. Bladeren zou een belediging zijn. Dan maar geen dandy.

undefined

Meer over