ARD SCHENK

Het was volmaakt, bijna volmaakt dan. Het beeld is na 26 jaar nog scherp. Hij staat op het erepodium, voor goud natuurlijk; het Wilhelmus wordt gespeeld....

KEES FENS

Apollo is hij ook genoemd, om zijn schoonheid natuurlijk, maar ook om zijn goddelijke onaanraakbaarheid. Zelf dacht ik altijd meer aan de snelle Hermes, de bode van de goden, kijk naar zijn beeld door Praxitiles - ook een klein knikje in de neus. We moesten naar de Griekse mythologie terug om de schaatser Ard Schenk te kunnen benoemen.

'Ard' - het is heel korte naam; zijn vader, ook een schaatser en later coach, heette Klaas en daar is ook geen lettergreep te veel bij. Hij komt uit die ijle streek van de kop van Noord-Holland en daar is de wereld te ruim voor veel taal. Schenk lijkt altijd in eenlettergrepige woorden te spreken en achter bijna elke zin valt een stilte. De godenbode is meer een telegrambesteller. 'Ard' werd een woord als een zuil, een heldere koude lucht, een lichaam. Als alle groten had hij zijn Sancho Panza, Kees Verkerk (die na zijn schaatscarrière nog een tijdje een vrij succesvol renpaard is geweest). 'Ard en Keessie' - het zegt voldoende over de verhoudingen. En de nageschiedenis handhaaft die verhoudingen: we zien Ard als een strenge, maar rechtvaardige chef de mission in Japan, in de grootheid van zijn volle lengte, en Keessie, op een blauwe slip na, naakt op een massagetafel in een sportprogramma, dik, oud en met een lijf waarvoor de cultuur van de kleding is uitgevonden.

Er zijn drie grote schaatsers: Schenk, Heiden, Koss. Schenk is de grootste, want de eerste. Alle drie zijn ze een legende - wat bij de ware grootheid hoort - maar Schenk is het meest legendarisch, want het geheimzinnigst. Hij had dat onbereikbare, maar ook iets onaantastbaars. Hij leek altijd meer te verzwijgen dan uit te spreken en voor het eerst reed iemand als een beeld van een schaatser en niet als een individu over de baan. Hij gaf en geeft nog altijd veel te vermoeden. Misschien bereikte hij zijn legendarische hoogte in de tien jaren van zijn verborgen leven. In 1974 trok hij zich, na een mislukte profcarrière van nog geen twee jaar, terug uit de sport. Hij werd onzichtbaar.

Er kwamen mooie en goede schaatsers na hem, maar ze riepen geen mythische gedachten op. Nog onlangs zag ik in een sportprogramma Hein Vergeer terug, ooit een schitterende schaatser, maar toch vooral en nog altijd een gewone aardige man die je geen vleugels aan zijn voeten toedenkt. Hij heeft ook niets te verbergen. Al die aardige, eerlijke stroeve of glijdende jonge schaatsers na Schenk maakten zijn gestalte alleen maar groter, zijn natuur nog geheimzinniger. Het is haast bijbels: tien jaar duurde zijn internationale schaatscarrière, met een schitterende groei; in 1970 werd hij Europees en wereldkampioen, in 1971 prolongeerde hij zijn wereldtitel en bracht hij op één na alle wereldrecords op zijn naam; 1972 is het wonderjaar: Europees en wereldkampioen en Olympisch kampioen op drie afstanden. Twee jaar later stopte hij. En wederom tien jaar duurde zijn onzichtbaarheid, die de mythe deed ontstaan, de slagen steeds groter maakte, en zijn taal zo eenvoudig dat er wel een groot zwijgen op moest volgen. Wie wil blijven bestaan, moet doen alsof hij niet meer bestaat.

We weten nu dat zijn Nazareth Purmerend heette. Hij was daar (en is dat nog) in die verborgen jaren fysiotherapeut en niet voor sporters. Hij seculariseerde zichzelf tot gewoon mens. Ik geloof niet erg in de samenhang tussen beroep en lichaamsbouw, maar ik moet bekennen dat de enkele fysiotherapeuten die mij ooit onder hun handen hebben genomen, Schenk-achtige gestaltes hadden, van wie één met dezelfde scherpe ogen die de spieren al losmaken vóór de eerste handreiking. Spraakzaam waren ze geen van allen, ze hadden wel allen model kunnen staan voor een antieke discuswerper. In interviews gegeven toen hij zijn zwijgen had doorbroken, heeft hij de tien jaar aangeduid als een periode van bezinning. Waarop, zei hij helaas niet, maar wie zich tien jaar op glad ijs heeft bewogen, moet de breekbaarheid van het bestaan wel gaan beseffen. En daarover kun je best tien jaar nadenken.

In de stille jaren boeide de schaatssport hem nog nauwelijks, naar zijn eigen woorden. Ik vind dat gebrek aan interesse in iets dat tien jaar je leven heeft bepaald, misschien wel de hoogste vorm van wijsheid. Er is geen sprake van verzadiging, maar van onthechting. Schenk won zichzelf terug op de beroemde schaatser die hij was geweest. Een leven van rondjes kreeg weer lijn. In het negende jaar van zijn afzondering ging hij naar een Europees kampioenschap. Hij was niet geboeid. Ik kan me dat voorstellen. Geboeidheid is voor de onwetenden. Dat verklaart het publiek succes van de meeste sporten.

In 1984 begon zijn tweede openbare leven. Hij werd lid van een afdeling van de KNSB die de maatschappelijke begeleiding van de schaatsers behartigde. De superieure individualist die elke god is, werd mens en sociaal. Sindsdien ben ik hem, denk ik, nog meer gaan bewonderen. Hij kwam in de wereld van de bestuurders die hij altijd had gemeden want gehaat. Hij kreeg meer officiële functies, maar bleef in al die gezelschappen de eenzame schaatser. In 1992 was hij voor het eerst chef de mission bij de Olympische Winterspelen, twee jaar later alweer, in Lillehammer, en nu weer in Nagano. Zo'n chef de mission is een manager, bestuurder; hij is alleen zichtbaar in het al of niet geslaagd zijn van de organisatie. Schenk leidt opnieuw een verborgen leven. Misschien de grootste ascese - of niet, gezien zijn aard - moet zijn zwijgen zijn. Hij is waarschijnlijk de grootste kenner van het schaatsen, maar voor de begeleiding, de individuele gesprekken, zijn de coaches. Hij staat boven alle begeleiders en deelnemers, maar tegelijk in dienst van allen.

Goden zijn nooit heilig. Vrij van ambities is Schenk natuurlijk niet. Anders had hij nooit wereldrecords kunnen verbeteren en ook niet tien jaar in Purmerend verborgen kunnen kneden en kraken. In Nagano wilde hij voor de laatste keer chef de mission zijn. Hij ambieerde een plaats in het bestuur van het Internationaal Olympisch Comité. Naast Anton Geesink (die, naar Schenks woorden, door iedereen in Japan wordt gekend; niemand kent hem, ondanks de drie gouden medailles van 1972. Maar Geesink heeft ooit Japan verslagen; daar is niet tegenaan te schaatsen). Maar daar was ineens Willem-Alexander. Als ik voorzitter van het comité was, had ik liever een godenzoon dan een prins in mijn bestuur gehad. Met een superieur mopperend woord heeft Schenk er zich bij neergelegd dat hij werd gepasseerd, vlak voor de bel voor de laatste ronde. De top was voor hem niet bereikbaar.

Ik denk dat in 1998 weer een nieuwe retraite van tien jaar begint. Ard Schenk wordt weer anoniem. Gelukkig misschien. Want dan krijgt hij in onze verbeelding weer die legendarische gestalte. Op klapschaatsen, met aërodynamische pakken, met strippen langs de benen zullen de schaatsers naar onvoorstelbare tijden rijden. Technici, die alles van luchtweerstand weten, robotten gaan over het ijs; wanneer zij aan de finish de muts en de bril afzetten, worden ze weer mens. De mythe is voor hen niet meer weggelegd. Om god te worden, moet je mens zijn.

Steeds eenzamer gaat in onze herinnering Ard Schenk over het steeds donkerder wordend ijs. De laatste schaatser.

Meer over