'Architectuur is het decor van het leven'

Dat hij al over de helft van zijn leven is, raakt..

tekst Coen Verbraak en  Koos Breukel

Hij moet 17 geweest zijn, toen hij voor het eerst in zijn eentje een week naar Parijs ging. Toen hij thuiskwam liet hij zijn ouders de foto’s zien die hij gemaakt had. Hij herinnert zich nu nog hoe verbaasd ze reageerden. ‘‘Jongen, je hebt alleen maar gebouwen gefotografeerd!’ Die fascinatie zat er dus al jong in.’

Vijfendertig jaar later behoort Ben van Berkel tot de wereldtop in de architectuur. Hij ontwierp de Erasmusbrug in Rotterdam en het Agoratheater in Lelystad, maar ook het Mercedes-Benz Museum in Stuttgart en een groot warenhuis in Seoul. Met gepaste trots leidt hij de verslaggever rond in zijn bureau in Amsterdam. Honderdtien mensen werken daar fulltime aan circa dertig projecten die Van Berkels bureau UNStudio overal ter wereld heeft lopen. Kijk, hier op deze computer is de 3D-animatie te zien van een enorm complex dat op stapel staat in Abu Dhabi. Een tafel verderop wordt gewerkt aan een voetbalstadion in China. ‘Dit is waar ik zelf erg van hou’, zegt hij wijzend op een grote foto van de foyer van het Muziektheater dat hij in Graz bouwde. In golvende lijnen krullen pijlers zich om elkaar heen; hét bewijs dat zelfs beton kan dansen. ‘Je moet als bezoeker het gevoel krijgen dat je de muziek al ziet voordat je ’m gaat horen. Je loopt in feite zo een partituur binnen.’

Zijn werkkamer is van bescheiden omvang. Dat is nu eenmaal niet anders als je je kantoor vestigt in de binnenstad van Amsterdam. Hij is destijds gepolst of hij niet in Rotterdam een riant nieuw bureau wilde bouwen, pal naast de Erasmusbrug. Mooiere pr was voor zijn bureau toch niet denkbaar. Van Berkel bedankte vriendelijk. ‘Ik ben heel trots op die brug. Maar uitzicht op de Erasmusbrug zou me misschien lui gemaakt hebben. Ik wil niet comfortabel leunen op het verleden, ik wil naar de toekomst kijken.’ Hij was pas 32 toen hij de opdracht voor die brug kreeg. Zoiets kolossaals had hij daarvoor nog nooit gemaakt. ‘Ik moest met tweehonderd ingenieurs samenwerken.’

Een beginnend dirigent voor een symfonieorkest? ‘Zeker. Maar niet een dirigent die vóór het orkest gaat staan. Ik wilde als een soort John Cage door het orkest heen kunnen lopen. Bij zo’n project moet je voortdurend iedereen persoonlijk blijven motiveren. We wilden per se die knik in die pyloon hebben. Die knik refereert aan de kranen in de haven, aan robuuste kracht en werkmansgeest. De opdrachtgever wilde daar correcties in aanbrengen; het ding knikte te veel of was juist weer te slank. Je bent als architect voortdurend tussen oneindig veel klippen aan het laveren, in de hoop dat je ontwerp ongeschonden de haven haalt.’

Komt het voor dat een opdrachtgever zo veel wijzigingen aan wil brengen dat u de opdracht teruggeeft? ‘Over het algemeen kom je daar wel uit. Dat betekent niet dat ik nooit een opdracht weiger. Soms sluit het budget niet aan op de ambities. Of er zijn andere redenen. Vorig jaar hebben Caroline (Bos, zijn vrouw en medeoprichter van het bureau, CV) en ik lang gediscussieerd over de vraag of we wel of niet een opdracht in Iran moesten aannemen.’

Had dat met de politieke situatie in Iran te maken? ‘Ja. Als je het vergelijkt met China, een land waar we veel werken, dan is China een land dat volop in ontwikkeling is, sterk op de toekomst gericht. In Iran ligt dat anders. Dat is een land met een politieke cultuur waar we niet achter kunnen staan. Dat Caroline daar misschien een sluier zou moeten dragen, beviel me gewoon al niet. Het ging om een stedenbouwkundig masterplan. Vakinhoudelijk heel aantrekkelijk. Toch hebben we de opdracht niet aangenomen. Je moet wel kritisch blijven.’

Wie als architect op meerdere continenten wil meedraaien in de wereldtop, is bijna nooit thuis. Van Berkel probeert twee weekends per maand in Amsterdam te zijn, bij zijn vrouw en zijn dochter. Meestal lukt dat niet. Minstens de helft van de maand is hij op reis. ‘Op maandag probeer ik altijd hier op het bureau te zijn. Ik vind het belangrijk om exact van alle projecten op de hoogte te blijven en precies te weten wat iedereen aan het doen is.’ De dinsdag begint vrijwel altijd op Schiphol. Meestal vliegt Van Berkel eerst naar een project in Europa. ‘Vaak naar Frankfurt, waar ik colleges geef.’ Daarna reist hij bijvoorbeeld door naar Abu Dhabi en vervolgens naar Hongkong of Shanghai, waar UNStudio een tweede kantoor heeft. Als er tijd over is gaat hij nog even buurten in Seoul of Singapore. Na een dag of vijf, zes vliegt hij weer naar huis. ‘De maandag daarop wil ik weer hier op mijn bureau zijn.’

Uw leven moet één grote jetlag zijn. ‘Daar heb ik goede trucs voor ontwikkeld.. Het belangrijkste is dat je probeert goed te blijven slapen, ondanks al die tijdverschillen. Als ik in Amerika ben, ga ik de eerste dag op de Nederlandse tijd naar bed. Dan lig je dus al om acht uur ’s avonds in je bed (in Nederland is het dan twee uur ’s nachts). Daarna ben ik over m’n jetlag heen. En ik sport elke dag, waar ik ook ben. Dat helpt enorm. Dan ben ik moe genoeg om te kunnen slapen.’

Vliegtuigmaaltijden raakt hij nooit aan. ‘Dat is gewoon niet goed voor je. Ik eet van tevoren en later op de plek van bestemming. En ik drink bijna geen alcohol. Hooguit drie glazen wijn per week. Anders hou je het echt niet vol.’

De dag voor het interview heeft hij nog een presentatie in St.-Petersburg verzorgd. Van Berkels bureau heeft daar net een prestigieuze opdracht getekend voor de bouw van een groot danstheater. Ook daar moest hij fris en scherp aantreden. ‘Ze willen je in vorm meemaken. En ze verwachten ook allemaal de architect zelf te spreken. Ze willen mij zien dansen.’

Dat kost hem weinig moeite, zegt hij. ‘Dit is in tijden van crisis een geweldige opdracht. Een publieke opdracht bovendien. Ik vind het prachtig om midden in een stad via een gebouw te kunnen communiceren. Ik wil een theater maken dat mensen verleidt. ‘Kom naar mij toe, kom binnen.’’

Dat is in St.-Petersburg niet anders dan bij het Agoratheater in Lelystad. Ook daar stelde de architect zich ten doel dat mensen erheen gezogen moesten worden. Sommigen moesten wel even slikken bij die feloranje kleur van het gebouw. Van Berkel had vanaf het begin de associatie gehad van het licht van de ondergaande zon in de polder. ‘Aanvankelijk zeiden mensen: ‘Ben, dat licht uit de 17de eeuw bestaat helemaal niet meer. Dat is verloren gegaan door de Afsluitdijk.’ Ik ben door die polder gaan rijden. En jawel, ik vond dat licht, die overweldigende luchten uit de Gouden Eeuw met die overweldigende straling. Dat intense oud-Hollandse licht heb ik geprobeerd terug te brengen naar het centrum van Lelystad.

De crisis die ook de architectuur in zijn greep houdt, deed zich bij UNStudio even voelen. Lopende projecten werden tijdelijk stopgezet. ‘We zijn twee, drie maanden iets ingekrompen.’ Daarna stroomden de opdrachten weer binnen. ‘De komende maanden groeien we door naar 120 mensen.’

Ja, dat verbaast hem ook enigszins, zegt Van Berkel. Dit is nou niet de tijd van hoogconjunctuur. De verklaring moet toch liggen in de reputatie die zijn bureau inmiddels heeft opgebouwd. ‘Waarschijnlijk hebben we door dat Mercedes-Benz Museum een echt internationaal profiel gekregen. We concurreren nu met de toptien van de wereld. Dat zijn vaak collega’s die wat ouder zijn. Misschien denken opdrachtgevers: die hebben we al vijf keer eerder opdrachten gegeven, nu vragen we die UNStudio eens.’

Het vreemde aan uw vak is dat u opdrachten moet binnenslepen via prijsvragen. Uw bureau schrijft zich in met een voorstel. Vervolgens is het afwachten of u het wordt. ‘Dat was al zo in de Renaissance. Michelangelo en Bramante moesten vechten om de grote dom van de Sint Pieter. Opdrachtgevers willen graag vijf, zes varianten. Een mooi ontwerp voor een goede prijs. We krijgen per dag wel vier, vijf mogelijkheden om ons in te schrijven. Het meeste doen we niet. Zo’n danstheater in St.-Petersburg is natuurlijk wel direct interessant. De combinatie dans en Rusland kan niet beter.’

Een gebouw moet volgens Van Berkel een verhaal vertellen. ‘Geen oneliner, het moet echt een goed boek zijn. Een verhaal waarbij de entree je al vertelt dat je een interessant gebouw binnenkomt. Elk ontwerp stelt zijn eigen eisen. In de foyer van een theater moeten mensen elkaar kunnen zien. Je moet als bezoeker deel worden van dat theater. Jij loopt ook even over de catwalk.’

Vrijwel alle projecten beginnen met een schets op een A4'tje. Van Berkel heeft wat dat betreft een vreemd talent: hij ziet vaak in gedachten al een beeld van hoe het moet worden. ‘Dat moet ik snel tekenen. Vervolgens praat ik erover met Caroline. Die kan het perfect verwoorden. Daarna vraag ik advies aan mijn mensen. ‘Kunnen we hier eens drie varianten op bedenken?’’

Ook zo’n complex Mercedes-Benz Museum begint met een eerste krabbeltje op papier. ‘Ik had direct het beeld van een tijdmachine. Je komt in een gebouw terecht met allerlei auto’s, waar verschillende tijdlijnen door elkaar lopen. Dat wist ik binnen tien seconden. Mijn ideaal bij een gebouw is altijd dat mensen er terug willen komen. Uit onderzoek onder de bezoekers van dat Mercedes-Benz Museum blijkt dat eenderde graag terugkomt, ook vanwege het gebouw.’

Wat is er in zo’n gebouw uiteindelijk terug te vinden van die allereerste lijnen in die schets? ‘De eerste lijnen van het oeridee zitten er altijd nog in. Daar hou ik heel erg aan vast.’

U hebt ook een stoel en een bank ontworpen. Is dat makkelijker? ‘Gek genoeg is dat net zo moeilijk. Aan die stoel heb ik twee jaar gewerkt. Je blijft eindeloos sleutelen: moet dat staal onder de zitting nou massief zijn of hol? Als ik het hol maak, kunnen die stangen dunner worden. Elk detail is belangrijk, net als bij een gebouw.’

Ben van Berkel groeide op in een milieu waar cultuur een grote rol speelde. Als jongen van 14 werd hij door zijn moeder meegenomen naar Venetië. Ze trokken van het ene plein naar het andere, voor een uitgebreide route langs woonhuizen van grote componisten. Hij zag het huis waar Wagner had gewoond, Vivaldi.

Ben was de vijfde in een gezin van zes kinderen, dat woonde op Kanaleneiland in Utrecht, toen een moderne buurt in opbouw. In zijn herinnering was het in die vroege jaren zestig altijd zomer. ‘Het gras langs het kanaal was een soort strand, waar mensen op zondag bij elkaar gingen zitten, als op een pointillistisch schilderij van Seurat.’

Alles was vervuld van hoop, van toekomst. Overal om hen heen werd gebouwd. Hij zag de kantoren en huizen van morgen uit de grond schieten. ‘Bouwen heeft voor mij nog steeds met het leven zelf te maken. Architectuur is toch het decor van het leven.’

Zijn moeder speelde prachtig piano. Zelf studeerde Van Berkel jarenlang drie uur piano per dag. Daar heeft hij allang geen tijd meer voor. Al is hij nog steeds gek op muziek. ‘Schönberg, Satie, prachtig. Dat seriële vind je terug in mijn gebouwen.’

Zijn vader was verpleegkundige in het leger. Een lieve, hartelijke man, zegt zijn zoon. ‘Hij was ongelooflijk sociaal, had veel vrienden. Dat heb ik van hem. Ik werk ook graag met mensen.’

Zijn beide ouders waren van oorsprong Rotterdammers. Het ging daar op Kanaleneiland in Utrecht nog vaak over hoe mooi Rotterdam er voor de oorlog uit had gezien. In mei 1940 maakten ze het bombardement mee. ‘Ze vertelden nog vaak hoe de bomscherven door het raam naar binnen kwamen.’ Wat was zijn vader trots toen zijn zoon later de Erasmusbrug ontwierp. ‘Echt iedereen moest het horen, tot vervelens toe.’

Het moet voor hen bijzonder zijn geweest. Ze kenden de geschonden stad en zagen daarna hoe hun zoon het nieuwe icoon van Rotterdam maakte. ‘Zo praatte mijn vader er ook over. Toen ik hem vertelde dat ik die opdracht had gekregen, reageerde hij onvoorstelbaar geëmotioneerd. Echt met tranen op zijn wangen. Hij zag die brug als de laatste stap in de wederopbouw van Rotterdam. En dat juist zijn zoon die brug mocht maken vond hij geweldig. Dat maakte het voor mij natuurlijk ook allemaal extra geladen.’

Zijn ouders zijn inmiddels allebei dood. Zijn moeder stierf vorig jaar, als laatste. Het kost hem nog altijd moeite om te accepteren dat ze weg zijn. ‘Afgelopen Oud en Nieuw besefte ik voor het eerst dat ik ze nooit meer gelukkig Nieuwjaar kan wensen. Dat vond ik zo verdrietig.’

Ze maakten nog wel ruimschoots de eerste jaren van zijn dochter Emilie mee. Het was, zegt Van Berkel, ‘fantastisch’ om vader te worden. Al verliep de zwangerschap uiterst moeizaam. ‘Caroline kreeg zwangerschapsvergiftiging. Ze werd erg ziek. Dat was een moeilijke tijd.’

Hij is niet vaak in zijn leven zo bang geweest. ‘Ik dacht: straks verlies ik twee mensen tegelijk. Als ik nu daaraan denk, kan ik er bijna nog om huilen.’

Emilie werd twee maanden te vroeg geboren. Wekenlang zaten Caroline en hij vervolgens naast die couveuse. Af en toe mocht hij haar even vasthouden. ‘Dan hield ik haar stevig tegen mijn blote borst. Dat was volgens de dokters goed voor haar. Ze was toen al de ster van het ziekenhuis. Er was geen baby die zo ontwapenend kon glimlachen als zij.’ Inmiddels is hun dochter 18. Toch denkt Van Berkel nog vaak aan die begintijd. ‘Ook omdat het later allemaal zo goed gekomen is.’ In elk geval wil ze geen architect worden. ‘Dat vindt ze te intensief. Ze gaat liever de mode in. Terwijl dat volgens mij veel intensiever is.’ Maar ja, hij was inderdaad vaak een afwezige vader, moet hij toegeven. Soms liep een verblijf in het buitenland uit. ‘Dan werd ze echt boos. Ze was een jaar of 8 toen ze mij een keer streng toesprak: ‘Je moet vanaf nu eerlijk zeggen hoe lang je wegblijft.’ Sindsdien geldt de regel dat ik precies zeg wat ik ga doen.’

Het mooie aan uw vak is dat je iets maakt dat er generaties zal staan. ‘Dat vond ik dertig jaar geleden een fascinerende gedachte. Maar je groeit erin. Mijn geluk zit nu voornamelijk in het afronden van mijn volgende project, niet in wat er al staat. Daarna is het niet meer van mij. Dan gaat het op in de stad. Zo hoort dat ook.’

Het nadeel is tegelijk dat als je uitglijdt je dus ook dertig, veertig jaar voor aap staat. ‘Zeker. Ik ben betrokken geweest bij De Kolk in Amsterdam (een woon-werkcomplex, red.). Dat is een pijnlijk proces geweest. Ik werd erbij gehaald als design architect. Toen de hoofdarchitect failliet ging, heeft de aannemer het afgebouwd. Ik kon er niks meer aan doen. Het is het enige project waarvan ik kan zeggen dat ik spijt heb dat het er staat. Aan de andere kant kun je zeggen dat het een gebouw is dat prima bij de uitstraling van die buurt past. Namelijk: niet zo geslaagd.’

Uw Kolk-garage werd onlangs zelfs tot de slechtste garage van Nederland uitgeroepen. ‘Ach, ik heb gelukkig ook prijzen gewonnen met garages.’

En dan was er nog gedoe met de tuien van de Erasmusbrug. ‘Daar heb ik echt wakker van gelegen. Ik heb het met eigen ogen meegemaakt, toen ik op de brug stond te wachten op een opdrachtgever. Het was niet zo dat je, zoals sommigen beweerden, de brug zag bewegen. Maar je hoorde wel dat angstaanjagende geluid van het trillen van de tuien. Echt een boze droom. Ik wist dat het aan de dempers moest liggen. Dat bleek gelukkig zo te zijn. We konden het verhelpen.’

Droomt u weleens van instortende bruggen en afbrekende balkons? ‘Gelukkig niet. En het voordeel van vroeg in je loopbaan fouten maken, is dat je er al jong van leert.’

53 is hij nu. Al een aardig stuk over de helft. Van Berkel kan er niet mee zitten. ‘Ik vond het heerlijk om 50 te worden. Als architect begint het dan pas echt te komen. Veel architecten maken hun beste werk als ze 60 of ouder zijn. In feite ben ik dus nog maar net begonnen.’

Het gaat hem tot nu toe goed, zowel in zijn werk als in zijn privéleven. Maar dat betekent niet dat het bestaan hem nooit op de proef heeft gesteld. ‘Er zijn ook donkere dagen geweest.’ Hij was begin 20 toen hij ging samenwonen met Gonny. ‘Een geweldige meid, spontaan en intelligent. Ik was gek op haar.’ Maar het ging fout in Gonny’s familie. Haar ouders gingen scheiden. ‘Door meerdere factoren werd ze langzaamaan ongelukkig.’ Uiteindelijk kreeg ze anorexia. Hij zag het voor zijn ogen gebeuren, maar stond machteloos. Nadat ze een paar keer achter elkaar was flauwgevallen, moest ze naar het ziekenhuis. Hij bracht haar aan het begin van de nacht. Toen hij de volgende ochtend terugkwam, lag ze in coma. ‘Ze hebben een fatale fout gemaakt door haar een slaappil te geven. Ze was al te ver heen om dat nog aan te kunnen.’

Bijna zeven jaar heeft ze daarna in coma gelegen. De herinnering daaraan grijpt hem nog altijd aan. Het waren verschrikkelijke jaren, zegt Van Berkel. ‘Het eerste jaar was ik er elke dag. We hebben alles, álles geprobeerd, maar ze gaf geen enkele reactie. Je zat maar naast dat bed. Dat was zo hartverscheurend, zo deprimerend.’

De coma was dermate diep dat Gonny na een jaar naar een verpleeghuis werd overgebracht. ‘De artsen zeiden: ‘Mijnheer, stelt u zich erop in dat ze nooit meer bij zal komen.’ Maar ja, hoe doe je dat? Ik hield nog steeds van haar.’

Langzaam, heel langzaam nam hij afstand. ‘Ik ging er nog maar eens per week naar toe, en later eens per maand. Ik besefte dat ik opnieuw moest beginnen. Ik vond het verschrikkelijk, maar het kon niet anders.’

Kon u haar uiteindelijk loslaten? ‘Dat heeft veel moeite en verdriet gekost. Ik wilde ook eerst zeker weten dat haar ouders en zussen daarmee konden leven. Maar ook zij zeiden: ‘Ben, je moet verder met je eigen leven. Gonny wordt nooit meer wakker.’’

Voelde u ook een soort opluchting toen ze uiteindelijk stierf? ‘Ik was vooral verdrietig. Ook omdat ik er niet bij was. Ik was net te laat. Tegelijk had ik toen emotioneel al wel afstand van haar genomen. Maar ik heb het nooit helemaal losgelaten. Ik ben ontzettend gelukkig met mijn leven met Caroline. Toch zit Gonny ook nog in mijn hoofd. Ik denk geregeld aan haar. En ik was natuurlijk vreselijk kwaad op dat ziekenhuis. Het was zo stom wat ze gedaan hebben, zo onvergeeflijk stom. Nu zou je een advocaat inschakelen. Maar ja, dat deed je toen niet.’

‘Later, toen Caroline zo ziek werd tijdens haar zwangerschap, speelde het wel weer op. De angst om weer iemand te verliezen blijft toch in je zitten. Je gaat anders over het bestaan denken. Ik ben mij goed de kortstondigheid van het leven gaan realiseren. Misschien compenseer ik dat met gebouwen, die er nog na mijn dood zullen staan. Daarbij gaat het niet om mij, om Ben van Berkel. Die gebouwen staan helemaal op zichzelf, die redden het prima zonder mij. Het mooiste is namelijk dat ze niet meer van mij zijn, maar van de mensen die erin wonen of werken. De Erasmusbrug is allang niet meer van mij, maar van de Rotterdammers. Daar gaat het uiteindelijk om. Architectuur is niet het belangrijkste in het leven. Je kunt nog zulke mooie gebouwen ontwerpen, zonder mensen betekenen ze helemaal niks.’

Meer over