Architecten tonen vooruitgang of hardvochtigheid Domweg ongelukkig achter metalen plaat

Ongelukkig in de Hazenstraat? Het is bijna onvoorstelbaar, in een van de prettigste winkelstraatjes van de Amsterdamse Jordaan, maar het kan....

Van onze verslaggever

Jaap Huisman

AMSTERDAM

De bewoners achter die deur in de façade die geen façade is - meer een groot open kozijn - worden nog meer gestraft. Via een smalle wenteltrap, voor iedereen zichtbaar, bereiken ze hun etage. Daar is wonder, wonder nog een klein galerijtje uitgespaard waarop ze hun ladder, vuilnis en wasgoed kunnen bergen. Hetgeen ze ook allemaal doen.

Zien we het goed: is er ook nog een rol NAVO-prikkeldraad gespannen boven de voordeur? Dat heb je ervan als je geen gevel wilt maken; dan moet je je toevlucht nemen tot een lapmiddel om inbrekers buiten de deur te houden.

Bestaat er vooruitgang in de architectuur? Wie van de Hazenstraat 56 doorloopt naar de nummers 8 en 4 moet tot de conclusie komen: ja. In ieder geval heeft architect Jaap Dijkman kans gezien een gevel te produceren en ook nog een fraaie. Een ongewone klus voor Dijkman, die tot dusver de horeca heeft verrijkt met etablissementen als Toscanini (Amsterdam) en Dudok (Rotterdam). Makkelijk was dit lapje grond niet, want het te bouwen pand zou tegen een pakhuis stoten waar Paul Huf zijn fotostudio heeft. De linkerbuurman is een scheefgezakt monumentje. Zie daar maar eens een fatsoenlijke woning tussen te proppen.

Dijkman heeft de voorgevel in een metalen lijst gevat die vanwege die overhangende buurman een lichte knik maakt. Omdat er van de blinde achterkant geen licht valt te verwachten, is alles ingezet op de voorkant: daar laten twee strakke erkers het daglicht binnen. In tegenstelling tot de meeste woningen in de Jordaan bevindt zich daarachter nu eens geen pijpelaatje. De appartementen zijn juist bijna tien meter breed en zes meter diep.

Het red cedar-hout, dat in laagjes (gepotdekseld) over de gevel ligt, is een aardig contrast met het grijs metalen frame en de metalen kozijnen. (Wie trouwens geen oog voor architectuur heeft, maar meer culinair georiënteerd is, zal op de begane grond de enige speciaalzaak van Nederland in olijfolie aantreffen. Ook op dat vlak is er sprake van vooruitgang).

Het invullen van de kleine gaten in Amsterdam gebeurde in de hausse van de stadsvernieuwing tamelijk slonzig en visieloos. Kennelijk miste de architectuur een fijn ontwikkelde neus om van een kleinigheid een kleinnood te maken, misschien vanuit de gedachte dat de monumentale omgeving het toch wel zou winnen. De afgelopen jaren hebben sommige architectenbureaus er een sport van gemaakt, frisse en ongebruikelijke ontwerpen tussen die erfenis te plakken: Duinker & Van der Torre in de Pijp, Claus & Kahn in de noordelijke Jordaan.

Geen enkele architect is op het idee gekomen historiserend te werken. Het mag dan ook een regelrechte provocatie heten dat het klassieke halsgeveltje in moderne snit opduikt in de Kerkstraat, pal achter de moloch van de ABN-AMRO-bank. Maar de provocateur heet dan ook Sjoerd Soeters.

Achter drie halsgevels, respectievelijk in rode, witte en zwarte baksteen uitgevoerd, gaat de uitbreiding van Soeters' kantoor schuil. Daarboven liggen appartementen die qua maat vooral geschikt zijn voor alleenstaanden of tweeverdieners. Leuk geprobeerd, deze knipoog naar het verleden, vooral vanwege de twee golfjes op het dak die naar elkaar wuiven, met twee versteende autowielen in het middenstuk. Soeters is een grapjas. Het jaartal in de top spiegelt ook 19 91. Zo blijft er voor de komende generaties nog wat te raden over.

Toch overheerst een onbevredigend gevoel. De garagedeuren op de begane grond zijn natuurlijk een noodzakelijk kwaad, maar halen de ironie onderuit. Weg effect. De ramen en raamkozijnen rieken naar standaard, en missen, zoals in de oorspronkelijke Amsterdamse panden, de elegante roedeverdeling en het verjongend perspectief - hoge ramen beneden, kortere daarboven.

Het trappenhuis dat zichtbaar is in het middenstuk, doet vermoeden dat Soeters in zijn eigen kuil getuimeld is, want het neo-monument worstelt met de indeling. Vooral de bewoners van de bovenetages zijn te beklagen. Zij kunnen via een akelig steil trapje tussen twee schilden als balustrade hun voordeur bereiken. Dat moet een dagelijks geworstel met boodschappentassen worden.

Amsterdam-Oost is in vijftien jaar tijd van een vervallen negentiende eeuws kwartier omgetoverd tot een nieuwbouwwijk met vooral uit de beginperiode van de stadsvernieuwing drukdoenerige sociale woningbouw. Architect Hans van Heeswijk slaat nu een andere toon aan op de hoeken van de Linnaeusstraat/Commelinstraat en de Dapperstraat/Commelinstraat.

Daar zijn twee bouwvallen vervangen door donkergrijze, metalen blokken. Ze hadden een kantoor kunnen zijn, als er niet toevallig een babywasje had gehangen of een racefiets in de gang had gestaan. Het is hardvochtige architectuur, die haaks staat op de ironie van Soeters. De grijze aluminium ramen lijnen met de gevel, zodat er een vlakke wand ontstaat die alleen wordt onderbroken door een rond balkon van geperforeerd metaal.

Aan elk detail is af te lezen dat er over is nagedacht: dit is architectuur voor architecten. Hoe valt zulke gladde nieuwbouw te combineren met een neo-classicistische buurman? Van Heeswijk liet de gevel juist bij die aansluiting open, zodat er ruimte vrijkwam voor een balkon. Kunnen de bewoners genieten van de bakstenen wand van de buren.

Van Heeswijk heeft het patent op glazen liften en trappenhuizen die onmiddellijk aan de gevel liggen. Dat kunstje haalde hij voor het eerst uit bij de Indonesische Overzeesche Bank op de Stadhouderskade. In de Dapperbuurt vormt die glazen liftschacht de schakel tussen de twee woonblokken. Voor deze openheid is iets te zeggen. Liften in dergelijke wijken worden maar al te vaak beklemmende, vervuilde tochtgaten - weten de bewoners bij het verlaten van hun appartement gelijk wat voor weer het is.

Hoe rigide ook, deze architectuur van metalen platen, ze vormt een neutraal decor voor de levendigheid van de Dappermarkt. Liever deze grijze rust dan de balkonnetjesziekte van de overburen: de marktbezoekers geven toch wel kleur aan de straat. Of de bewoners daarentegen wel zo goed af zijn achter die hermetische gevels met hun afgepaste balkons, lijkt de vraag.

De vraag krijgt extra lading door de tekst die Ootje Oxenaar in koeieletters op de gevel heeft laten aanbrengen, een tekst die ook alleen in die straat hoort. Domweg gelukkig in de Dapperstraat, een dichtregel van J. C. Bloem, is in negen talen vertaald waaronder Arabisch en Turks. De gevel wordt er zowat onder bedolven.

Die kunsttoepassing heeft de architectuur gedicteerd. Van Heeswijk vond dat een grijs grid daarvoor de beste ondergrond was. Anders had hij, zegt hij, meer een kleur gekozen die bij de Dapperbuurt past. 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat.' Maar wat nu, als je eenzaam, contactgestoord en depressief achter een metalen plaat zit te kniezen? Weer een gat gevuld, maar weer het geluk niet gevonden?

Nee, beter Bloem in het hoofd dan op de gevel. Maar hiermee is wel symbolisch en zeer nadrukkelijk het einde van de stadsvernieuwing in de Dapperbuurt gemarkeerd.

Kleine invullingen in de bestaande stad. Hazenstraat 8/4, Kerkstraat, Dapperbuurt, Amsterdam.

Meer over