Archeoloog in films

De Hongaarse regisseur Péter Forgács maakt documentaires van amateurfilms. In El perro negro laat hij de Spaanse ‘gemoedstoestand’ zien vlak voor het uitbreken van de burgeroorlog....

Ronald Ockhuysen

Joan Salvans i Pierra lacht uitbundig naar de schokkerig draaiende camera. Met een overgave die op slag duidelijk maakt dat hij van het leven houdt. De dertiger, zoon van de rijke industrieel Francesc Salvans, heeft het in 1935 dan ook prima voor elkaar. Hij zit in de directie van zijn vaders bedrijf, en er rest hem daarnaast voldoende tijd om zich aan zijn ware passie te wijden: de filmkunst. Salvans laat geen gelegenheid voorbij gaan of hij haalt zijn camera erbij. Sterker: hij draait zo'n beetje alles. De feesten op het landgoed van de familie, een dagje in Barcelona, zijn eigen bruiloft met jeugdliefde Merce, een uitje naar Parijs, en de bezoeken aan Catalaanse dorpen, waar de Salvans duizenden arbeiders werk verschaffen – een positie die de familie aanzien en macht geeft, maar ook gehaat maakt.

Het resultaat van Salvans’ filmerij is te zien in de documentaire El perro negro – verhalen van de Spaanse burgeroorlog van de Hongaarse regisseur Péter Forgács, die zijn films in het geheel opbouwt uit bewaard gebleven huis-, tuin- en keukenfilms uit de vorige eeuw. Met dat materiaal laat Forgács de geschiedenis vanuit menselijk perspectief zien – ontdaan van historische lezingen, journalistieke interpretaties en overheidspropaganda.

Zo maakt het werk van de vrolijke Salvans duidelijk dat de elite van Catalonië het gevaar van de Spaanse burgeroorlog volledig onderschatte. Kort voor het uitbreken van die oorlog, op 16 juli 1936, wordt er nog vrolijk geklonken met champagneglazen. Op 19 juli schieten onbekende anarchisten Joan en zijn vader in de bossen op hun landgoed door het hoofd.

‘Ik ben meer een archeoloog dan een filmmaker’, zegt Forgács tijdens een gesprek in het Ketelhuis in Amsterdam. Voor El perro negro werkte hij voor de tweede maal samen met de Nederlandse producent Cesar Messemaker. ‘Ik ben afhankelijk van de vondsten; zonder het beeldmateriaal van Joan Salvans en Jose Ernesto Diaz Noriega had ik El perro negro nooit kunnen maken.’

De Nederlandse researcher Frank van der Heyden stuitte in 1993 op het archief van Noriega, een Madrileense student die met zijn vrienden in de jaren dertig avant-gardistische amateurfilms maakte. Toen Noriega in 1936 door de nationalisten in de gevangenis werd gezet, smokkelde hij met gevaar voor eigen leven de camera mee naar binnen, om daar, liggend op zijn buik, de krochten van de geschiedenis vast te leggen. ‘De ene dag een gewone burger, bezig met filmen en plezier maken. De volgende dag als vuil in hoek is gesmeten. Dat uitgangspunt is genoeg om de hersenen op gang te krijgen.’

In Forgács' hele oeuvre spelen amateursfilms een doorslaggevende rol. Zijn reeks Private Hungary is diverse malen bekroond op internationale festivals, net als Exodus over de Nijl (gebaseerd op filmpjes van een Hongaarse scheepskapitein die in 1940 gevluchte joden naar de Zwarte Zee vervoert).

De filmpjes die Forgács gebruikt voor zijn collages zijn volgens hem meer dan reflecties van het alledaagse. Hij zoekt naar de open blik die de gebroeders Lumière, de ontdekkers van de film, hadden: ‘Een manier van kijken die nog maagdelijk is, zonder vooropgezet plan of een verborgen agenda. Het gaat niet alleen om de trein die een station binnen rijdt. Het gaat om de passanten op het perron – hun handelwijze, hun kleding, kapsels, de kranten en wandelstokken die zij in hun hand hebben.’ In de eerste helft van de vorige eeuw was een amateur-camera een allerminst alledaags voorwerp. ‘Mensen hadden een compleet andere verhouding met de camera. Net als bij de eerste foto’s van David Octavius Hill en Julia Magaret Cameron: er werd nog niet gelachen naar de lens. Het was een wederzijds aftasten.’

El perro negro, een samensmelting van amateurbeelden, poëzie-citaten, flamenco en volksmuziek, is een inkijk in de Spaanse ‘gemoedstoestand’ vlak voordat een groep officieren, onder wie generaal Franco, in opstand komt tegen de linkse regering in Madrid. Een opstand die ontaardt in een burgeroorlog waarin extreme groeperingen in een verbijsterend hoog tempo aan het moorden en martelen slaan.

Forgács: ‘Juist zo’n groot verhaal laat zich via amateurfilms goed vertellen. De naïeve kijk van de amateurfilmers leidt de bioscoopbezoeker een andere wereld binnen, een wereld die menselijker en persoonlijker is dan het cliché van de burgeroorlog zoals zich dat in ons collectieve geheugen heeft genesteld.’

Het samenstellen van El perro negro geschiedde volgens de methode ‘trial and error’. Forgács bracht in de montagekamer de verzamelde inzichten en betekenissen samen – ruim veertig uur materiaal – en probeerde daaruit een nieuwe werkelijkheid te scheppen, ‘zeg maar een lezing van de geschiedenis’. Zijn belangrijkste uitgangspunt is dat het beeld vrij moet blijven van een moraal. ‘Het was een delicate en lastige klus om het oordeel en het vooroordeel buiten de deur te houden. Maar ik zag het als mijn opdracht om het stereotype van de burgeroorlog –goed links tegen slecht rechts– van nuances te voorzien. Het was niet alleen het blauw en geel van de Falangisten en nationalisten tegen het rood van de communisten en het rood-zwart van de anarchisten. De werkelijkheid was veel gelaagder. Zoals de Balkanoorlog niet zomaar een strijd tussen christenen en moslims was.’

De afstand die Forgács betracht tot de officiële geschiedschrijving bezorgt hem de nodige problemen. Vandaag de dag willen de subsidiënten en de televisieomroepen pasklare verhalen, die geen ruimte te laten voor vraagtekens. ‘Het liefst willen ze een variant op Joris Ivens’ Spaanse aarde –met een duidelijke grens tussen wie deugt en wie niet.’ Het gaat Forgács erom te laten zien dat alle kampen talloze onnodige slachtoffers te betreuren hadden. ‘Een moord in het ene kamp maakt een moord in het andere kamp niet minder erg. El perro negro is opgedragen aan alle onschuldige doden, van welke politieke kleur dan ook.’

Meer over