Aquarellen die herinneren aan vakantie en buiten spelen

Voor de Amerikaanse schilder John Singer Sargent (1856-1925) was aquarelleren vakantiewerk. Het was een tussendoortje, een welkome afwisseling op de talloze, serieuze portretten die hij maakte van bekende societyfiguren en politici - onder wie de Amerikaanse presidenten Th....

JUDITH KOELEMEIJER

Van onze verslaggeefster

Judith Koelemeijer

AMSTERDAM

Het hele jaar zat hij vast aan zijn - ongetwijfeld lastige - opdrachtgevers. In zijn aquarellen vierde hij zijn vrijheid. Een aantal ervan is te zien op The Great American Watercolour in het Amsterdamse Rijksmuseum; een expositie van vijftig aquarellen van Amerikaanse kunstenaars als Winslow Homer en Edward Hopper, afkomstig uit het Museum of Fine Arts in Boston.

De aquarellen van Singer Sargent zijn zonder uitzondering zonnige, kleurige taferelen van Italiaanse tuinen, zich verpozende, chique dames, een huisje op Corfu. Snapshots, noemde Sargent ze zelf. Tot 1909, toen het Brooklyn Museum te New York er in één keer 38 kocht, had hij er nooit aan gedacht ze te exposeren of te verkopen. Aquarelleren was immers vooral fun, of zoals hij zelf zei: 'Making the best of an emergency.'

Komt het door het negentiende-eeuwse, lege romantische Amerikaanse landschap, de vele bloemen, of het blauw, dat heldere aquarelblauw dat zo vaak terug komt? Veel aquarellen op de expositie doen denken aan vakantie, zomer en buiten spelen (een bezoekster: 'Ach zie je deze van Ceylon, daar wil ik heen'). Steeds is er die plens zonlicht, dat gele, heldere licht dat reflecteert op bergen, rivieren en wapperend wasgoed.

Aquarelleren wás in Amerika oorspronkelijk vooral een kunst van reizigers. De eerste Europeanen die Amerika verkenden, legden hun impressies op die manier vast. Een aquarelblok en verf maakten deel uit van de uitrusting van elke wetenschapper, avonturier of militair.

Anders dan Europa, heeft Amerika een sterke traditie in het aquarelleren. Ondernemende Amerikaanse kunstenaars voelden zich al snel aangetrokken tot het goedkope, gemakkelijk te vervoeren materiaal. Dat de techniek niet aan kunstacademies onderwezen werd, zagen zij niet als een beperking, maar als een uitdaging.

In 1866 werd in New York de American Watercolour Society opgericht, een initiatief dat in veel steden navolging zou krijgen. Grote groepen burgers hielden zich bezig met waterverf, in Boston sprak een schrijver in 1896 zelfs over een 'leger van aquarellisten'. Het was dit 'leger' dat de basis zou leggen voor de aquarelcollectie van het Museum of Fine Arts in Boston, waarvan de topstukken nu voor het eerst in Nederland te zien zijn. Vooraanstaande burgers uit Boston kochten werk van kunstenaars als La Farge en Homer. Dankzij hun enthousiasme konden deze kunstenaars de aquarelkunst verder ontwikkelen.

De expositie bestrijkt een periode van ruim tachtig jaar, van de bijna religieuze, serene landschappen van James Hamilton en Thomas Moran uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw tot de kubistische bergen van Margueritte Zorach (Sheep Island, Maine, 1919) en het prachtige, helder blauwgroene riviergezicht van Edward Hopper (First Branch of The White River, Vermont, 1938). De meeste werken zijn van John Singer Sargent, daarnaast nemen Winslow Homer en Edward Hopper een belangrijke plaats in.

De ietwat zonderlinge Winslow Homer (1836-1910), een van de grootste schilders van zijn tijd, werd bekend met zijn illustraties van de burgeroorlog in het weekblad Harper's Weekly en beroemd door zijn onacademische, vrije manier van schilderen. In 1880 trok hij zich terug op een winderige Atlantische punt van Prout's Neck, in Maine. Op de expositie is de ontwikkeling in zijn werk goed te volgen.

De aquarellen uit de jaren tachtig zijn vrij gedetailleerd geschilderd, licht van kleur en vrolijk van onderwerp: een meisje onder een boom in een weide vol bloemen, spelende kinderen in het water. In de jaren negentig en daarna zijn de composities veel grover opgezet, met grote vlakken, witgelaten stukken en soms dreigende luchten.

De aquarel van The Sponge Diver uit 1898 toont een donkere man op zijn rug, die vanuit zee in een witte boot klimt. De boot is niet veel meer dan een wit vlak, de zee een palet van groen en blauw. Toch is het beeld bijzonder levendig: je vóelt de verblindende zon die weerkaatst op de boot en 's mans gespierde rug en armen, het kabbelende water, de lichte bries. De ogenschijnlijk nonchalante impressie blijkt bij goed kijken een uiterst precies opgebouwde compositie. Homer schilderde laagje voor laagje, en wist met minimale middelen - een paar krasjes wit, een donkergroene schaduw - een maximaal effect te bereiken.

Van Edward Hopper zijn vier werken opgenomen, die laten zien dat hij niet alleen in zijn schilderijen, maar ook in zijn aquarellen die desolate, van god-en-mens-verlaten sfeer kan oproepen. Zijn onderwerpen zijn ogenschijnlijk heel gewoon: een vuurtorenhuis, het dek van een schip, een Victoriaans pand. Geschilderd in sobere, maar aansprekende kleuren. Hoppers aquarellen spreken tot de verbeelding juist omdat ze nog wat te gissen overlaten; de dingen zijn - hoe precies geschilderd ook - zo kaal dat je de rest er vanzelf bij denkt. Er gaat altijd iets geheimzinnigs van uit, zó betekenisloos kunnen de dingen immers toch niet zijn.

De aquarellen van John Singer Sargent hebben dat vermogen niet, evenmin als de bloemenzee van Ross Turner (A garden is a sea of flowers, 1912) en het lentelandschap van Charles Buchfield (In May, 1939). Het is alsof de zon, lieflijkheid en vrolijkheid de verbeelding eerder in slaap sussen dan inspireren - ze zijn een souvenir.

The great American watercolour. Rijksmuseum Amsterdam, tot en met 27 oktober. Catalogus: 30,-.

Meer over